RICHTLIJN 98/24/EG VAN DE RAAD, van 7 april 1998, betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Print     PDF



DEEL I, ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.  In deze richtlijn, die de 14e bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG, worden minimumvoorschriften vastgesteld voor de bescherming van werknemers tegen risico's voor hun veiligheid en gezondheid die het gevolg zijn of vermoedelijk zullen zijn van de effecten van chemische agentia die aanwezig zijn op het werk of van een beroepswerkzaamheid waarbij chemische agentia zijn betrokken.

2.  De voorschriften van deze richtlijn zijn van toepassing wanneer chemische agentia die risico's opleveren, op de werkplek aanwezig zijn of kunnen zijn, onverminderd de bepalingen betreffende chemische agentia waarop maatregelen voor stralingsbescherming van toepassing zijn uit hoofde van de richtlijnen die zijn vastgesteld krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

3.  Op carcinogene agentia op het werk zijn de bepalingen van deze richtlijn van toepassing, onverminderd strengere en/of specifiekere bepalingen in Richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) ( 1 ).

4.  De bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG zijn volledig van toepassing op het gehele gebied bedoeld in dit artikel, onverminderd strengere en/of specifiekere bepalingen van de onderhavige richtlijn.

5.  Op het vervoer van gevaarlijke chemische agentia zijn de bepalingen van deze richtlijn van toepassing, onverminderd strengere en/of specifiekere bepalingen in Richtlijn 94/55/EG ( 2 ), in Richtlijn 96/49/EG ( 3 ), in de IMDG-code, de IBC-code en de IGC-code zoals omschreven in artikel 2 van Richtlijn 93/75/EEG ( 4 ), in de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren en het reglement voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen over de Rijn zoals opgenomen in de Gemeenschapswetgeving en in de technische instructies inzake veilig vervoer van gevaarlijke stoffen die op de dag van inwerkingtreding van deze richtlijn zijn uitgevaardigd door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 2

Definities

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) chemisch agens: elk chemisch element of elke chemische verbinding, in zuivere vorm of in een mengsel, zoals deze in natuurlijke staat voorkomt of het resultaat is van, gebruikt of vrijgekomen is, ook in de vorm van afval, bij een beroepsactiviteit, al dan niet opzettelijk geproduceerd en al dan niet op de markt gebracht;

b) gevaarlijk chemisch agens:

i) elk chemisch agens dat voldoet aan de criteria om te worden ingedeeld als gevaarlijk in enige fysische gevarenklasse en/of gezondheidsgevarenklasse als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ), ongeacht of dat chemisch agens krachtens die verordening is ingedeeld;

iii) elk chemisch agens dat, hoewel het niet voldoet aan de criteria om overeenkomstig punt b) i) van dit artikel als gevaarlijk te worden ingedeeld, een risico voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers kan opleveren door zijn fysisch-chemische, chemische of toxicologische eigenschappen en door de wijze waarop het op de werkplek wordt gebruikt of aanwezig is, met inbegrip van elk chemisch agens waarvoor een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling overeenkomstig artikel 3 geldt.

c) werkzaamheid waarbij chemische agentia zijn betrokken: elk werk waarbij chemische agentia gebruikt worden of de bedoeling bestaat die te gebruiken in een proces, waaronder productie, behandeling, opslag, vervoer of verwijdering en verwerking, of waarbij chemische agentia worden geproduceerd;

d) grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling: tenzij anders omschreven, de grenswaarde van de tijdgewogen gemiddelde concentratie van een chemisch agens in de lucht in de individuele ademzone van een werknemer in verhouding tot een bepaalde referentieperiode;

e) biologische grenswaarde: de grenswaarde van de concentratie in het passende biologische medium van het agens in kwestie, de metabolieten daarvan of een indicator van het effect;

f) gezondheidskundig toezicht: de beoordeling van de gezondheidstoestand van een afzonderlijke werknemer gerelateerd aan de blootstelling aan specifieke chemische agentia op het werk;

g) gevaar: de intrinsieke eigenschap van een chemisch agens die schade kan veroorzaken;

h) risico: de waarschijnlijkheid dat in de omstandigheden waarin het gebruik en/of de blootstelling plaatsvindt, een potentieel schadelijke situatie ontstaat.

Artikel 3

Grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en biologische grenswaarden

1.  De Commissie stelt door middel van een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling van de meest recente wetenschappelijke gegevens een evaluatie op van het verband tussen de gevolgen van gevaarlijke chemische agentia voor de gezondheid en het niveau van beroepsmatige blootstelling.

2.  Op basis van de in lid 1 omschreven evaluatie stelt de Commissie, na eerst het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats te hebben geraadpleegd, Europese doelstellingen inzake de bescherming van de werknemers tegen chemische risico's voor, in de vorm van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling, die op communautair niveau moeten worden vastgesteld.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn met nieuwe of herziene indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, rekening houdend met de beschikbaarheid van meettechnieken.

De lidstaten houden werknemers- en werkgeversorganisaties op de hoogte van de op Unieniveau vastgestelde grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling.

Indien, in naar behoren gemotiveerde en uitzonderlijke gevallen van onmiddellijke, rechtstreekse en ernstige risico’s voor de lichamelijke gezondheid en veiligheid van werknemers en andere personen, om dwingende redenen van urgentie binnen een zeer kort tijdsbestek actie vereist is, is de in artikel 12 ter neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

3.  Voor elk chemisch agens waarvoor op communautair niveau een indicatieve grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is vastgesteld, stellen de lidstaten, rekening houdend met de communautaire grenswaarde, een nationale grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling vast, waarbij de aard ervan wordt bepaald in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk.

4.  Op communautair niveau kunnen bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling worden opgesteld, waarbij in aanvulling op de factoren die in aanmerking zijn genomen bij het vaststellen van de indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling, rekening wordt gehouden met de haalbaarheidsaspecten, steeds met de bescherming van de gezondheid van de werknemers op de werkplek als doel. Dergelijke grenswaarden worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 118 A van het Verdrag en opgenomen in bijlage I bij deze richtlijn.

5.  Voor ieder chemisch agens waarvoor een bindende grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is vastgesteld, stellen de lidstaten een overeenkomstige bindende nationale grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling vast, gebaseerd op, doch niet hoger dan, de communautaire grenswaarde.

6.  Er kunnen bindende biologische grenswaarden worden vastgesteld op communautair niveau op basis van de in lid 1 bedoelde evaluatie en van de beschikbaarheid van meettechnieken, waarbij rekening wordt gehouden met haalbaarheidsaspecten en er tegelijkertijd onverminderd naar wordt gestreefd de gezondheid van werknemers op de werkplek te waarborgen. Deze grenswaarden worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 118 A van het Verdrag en vermeld in bijlage II bij deze richtlijn, samen met andere relevante informatie betreffende het gezondheidskundig toezicht.

7.  Voor ieder chemisch agens waarvoor een bindende biologische grenswaarde wordt vastgesteld, stellen de lidstaten een overeenkomstige nationale bindende biologische grenswaarde vast, gebaseerd op, doch niet hoger dan, de communautaire grenswaarde.

8.  Wanneer een lidstaat een nationale grenswaarde vor beroepsmatige blootstelling of een nationale biologische grenswaarde voor een chemisch agens invoert of herziet, stelt hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis, onder vermelding van de desbetreffende wetenschappelijke en technische gegevens. De Commissie treft de passende maatregelen.

9.  Op basis van de verslagen die de lidstaten overeenkomstig artikel 15 uitbrengen, maakt de Commissie een evaluatie van de wijze waarop de lidstaten bij de vaststelling van de overeenkomstige nationale grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling rekening hebben gehouden met de communautaire grenswaarden.

10.  Er zullen overeenkomstig artikel 12, lid 2, genormaliseerde methoden worden opgesteld voor het meten en evalueren van concentraties in de lucht op de werkplek met betrekking tot grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling.



DEEL II, VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVERS

Artikel 4

Bepaling en beoordeling van het risico van gevaarlijke chemische agentia

1.  Bij de uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 3, en artikel 9, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG gaat de werkgever eerst na of er gevaarlijke chemische agentia op de werkplek aanwezig zijn. Is dat het geval, dan beoordeelt hij de eventuele risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers die het gevolg zijn van de aanwezigheid op de werkplek van die chemische agentia; hij houdt daarbij rekening met het volgende:

 hun gevaarlijke eigenschappen;

 informatie betreffende veiligheid en gezondheid die door de leverancier moet worden verschaft, (bijvoorbeeld het desbetreffende veiligheidsinformatieblad overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 );

 het niveau, de aard en de duur van de blootstelling;

 de omstandigheden tijdens werkzaamheden waarbij dergelijke agentia betrokken zijn, waaronder begrepen hun hoeveelheid;

 eventuele grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling of biologische grenswaarden, vastgesteld op het grondgebied van de lidstaat in kwestie;

 de uitwerking van de genomen of te nemen preventiemaatregelen;

 indien beschikbaar, de conclusies die uit reeds uitgeoefend gezondheidskundig toezicht moeten worden getrokken.

De werkgever zal van de leverancier of uit andere makkelijk toegankelijke bronnen de aanvullende informatie verkrijgen die noodzakelijk is voor de risico-evaluatie. Waar nodig behelst deze informatie ook de specifieke evaluatie van de risico's voor de gebruikers, die op basis van de communautaire wetgeving inzake chemische agentia is uitgevoerd.

2.  De werkgever dient in het bezit te zijn van een evaluatie van het risico, overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 89/391/EEG, en moet vermelden welke maatregelen zijn getroffen overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de onderhavige richtlijn. De risico-evaluatie moet naar behoren gedocumenteerd zijn overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, en kan een verhandeling bevatten waarin de werkgever aantoont dat de aard en de omvang van de met chemische agentia verbonden risico's een verdere uitvoerige risico-evaluatie overbodig maken. De risico-evaluatie moet worden bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidskundig toezicht blijkt dat bijwerking nodig is.

3.  Bepaalde bijzondere werkzaamheden binnen de onderneming of inrichting, zoals onderhoud, waarvan kan worden voorzien dat er een potentieel voor significante blootstelling bestaat of die om andere redenen schadelijke gevolgen voor de veiligheid en gezondheid kunnen hebben, zelfs nadat alle technische maatregelen zijn genomen, worden opgenomen in de risico-evaluatie.

4.  In het geval van werkzaamheden waarbij er blootstelling is aan verscheidene gevaarlijke chemische agentia, wordt het risico geëvalueerd op grond van het risico dat al die chemische agentia in combinatie opleveren.

5.  Alvorens begonnen wordt met nieuwe werkzaamheden waarbij gevaarlijke chemische agentia zijn betrokken, moet een evaluatie van het betreffende risico zijn verricht en moeten eventuele preventieve maatregelen zijn genomen.

6.  Praktische richtsnoeren voor risicovaststelling en -evaluatie en voor de bijwerking en, zo nodig, aanpassing daarvan worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 12, lid 2.

Artikel 5

Algemene beginselen voor de preventie van risico's verbonden aan gevaarlijke chemische agentia en toepassing van de richtlijn in verband met de risico-evaluatie

1.  In het kader van zijn verplichting om bij alle werkzaamheden waarbij gevaarlijke chemische agentia zijn betrokken de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te garanderen, neemt de werkgever de nodige preventieve maatregelen bedoeld in artikel 6, lid 1 en lid 2, van Richtlijn 89/391/EEG, alsmede de maatregelen bedoeld in onderhavige richtlijn.

2.  De risico's voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers bij werkzaamheden waarbij gevaarlijke chemische agentia betrokken zijn, moeten worden opgeheven of tot een minimum verkleind:

 door het ontwerp en de organisatie van de arbeidssystemen op de werkplek;

 door te voorzien in de passende uitrusting voor werkzaamheden met chemische agentia en in onderhoudsmethodes die de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op het werk verzekeren;

 door het aantal werknemers die (kunnen) worden blootgesteld tot een minimum te beperken;

 door de duur en intensiteit van de blootstelling tot een minimum te beperken;

 door passende maatregelen op het gebied van hygiëne;

 door de hoeveelheid chemische agentia op de werkplek te beperken tot het minimum dat voor de aard van het werk noodzakelijk is;

 door passende werkmethoden in te voeren, met inbegrip van regelingen voor de veilige behandeling, opslaan en vervoeren op de werkplek van gevaarlijke chemische agentia en van afvalstoffen die dergelijke chemische agentia bevatten.

Praktische richtsnoeren voor preventiemaatregelen voor risicobeheersing worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 12, lid 2.

3.  Wanneer uit de resultaten van de in artikel 4, lid 1, bedoelde evaluatie blijkt dat er een risico voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers bestaat, worden de in de artikelen 6, 7 en 10 vastgestelde specifieke beschermings-, preventie- en bewakingsmaatregelen toegepast.

4.  Wanneer uit de resultaten van de in artikel 4, lid 1, bedoelde risico-evaluatie blijkt dat er, gelet of de hoeveelheden van een gevaarlijk chemisch agens die op de werkplek aanwezig zijn, slechts een gering risico voor de veilgheid en de gezondheid van de werknemers bestaat en dat de overeenkomstig de bovenstaande leden 1 en 2 genomen maatregelen voldoende zijn om dit risico terug te dringen, zijn de artikelen 6, 7 en 10 niet van toepassing.

Artikel 6

Bijzondere beschermings- en preventiemaatregelen

1.  De werkgever zorgt ervoor dat het risico van een gevaarlijk chemisch agens voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk wordt weggenomen of tot een minimum wordt verkleind.

2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt bij vookeur substitutie toegepast, waarbij de werkgever het gebruik vermijdt van een gevaarlijk chemisch agens door het te vervangen door een chemisch agens of proces dat in de gegeven gebruiksomstandigheden al naargelang niet of minder gevaarlijk is voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.

Wanneer het wegens de aard van de activiteit niet mogelijk is het risico door vervanging van het chemisch agens weg te nemen, rekening houdend met de werkzaamheid en de in artikel 4 bedoelde risico-evaluatie, zorgt de werkgever ervoor dat het risico tot een minimum wordt verkleind door de toepassing van beschermings- en preventiemaatregelen, in overeenstemming met de risico-evaluatie die krachtens artikel 4 is gemaakt. Deze maatregelen omvatten in orde van voorrang:

a) het ontwerpen van passende werkprocessen en technische maatregelen en het gebruiken van passende uitrusting en passend materiaal om het vrijkomen van gevaarlijke chemische agentia die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op de werkplek, te voorkomen of te beperken;

b) het toepassen van collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron van het risico, zoals voldoende ventilatie en passende organisatorische maatregelen;

c) wanneer blootstelling niet met andere middelen kan worden voorkomen, de toepassing van individuele beschermingsmaatregelen, met inbegrip van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Praktische richtlijnen voor beschermings- en preventiemaatregelen voor risicobeheersing worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 12, lid 2, van deze richtlijn.

3.  De in lid 2 bedoelde maatregelen gaan vergezeld van gezondheidskundig toezicht overeenkomstig artikel 10, indien dat, gelet op de aard van het risico, passend is.

4.  De werkgever voert regelmatig en steeds wanneer in de omstandigheden een wijziging optreedt die gevolgen kan hebben voor de blootstelling van de werknemers aan chemische agentia, de nodige metingen uit van de chemische agentia welke een risico kunnen opleveren voor de gezondheid van de werknemers op de werkplek, in het bijzonder in verband met de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling, tenzij hij middels andere evaluatiemethoden duidelijk kan aantonen dat voldoende preventie en bescherming zijn gewaarborgd overeenkomstig lid 2.

5.  Bij het voldoen aan de verplichtingen die neergelegd zijn in of voortvloeien uit artikel 4, dient de werkgever rekening te houden met de resultaten van de in lid 4 genoemde procedures.

Indien op het grondgebied van een lidstaat een effectief vastgestelde grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is overschreden, dient de werkgever in elk geval onmiddellijk stappen te ondernemen om de situatie te verhelpen door preventie- en beschermingsmaatregelen te nemen.

6.  Op basis van de algemene evaluatie van de risico's en de algemene beginselen betreffende de preventie van risico's in de artikelen 4 en 5 neemt de werkgever technische en/of organisatorische maatregelen die zijn afgestemd op de aard van de activiteiten, waaronder begrepen opslag, behandeling en scheiding van onverenigbare chemische agentia die de werknemers beschermen tegen de gevaren van de fysisch-chemische eigenschappen van chemische agentia. Met name neemt hij maatregelen om, in orde van voorrang:

a) de aanwezigheid van gevaarlijke concentraties van ontvlambare stoffen of gevaarlijke hoeveelheden chemisch onstabiele stoffen op de werkplek te voorkomen of, wanneer dat gezien de aard van de werkzaamheden niet mogelijk is;

b) ervoor te zorgen dat er geen ontbrandingsbronnen aanwezig zijn die brand en explosies kunnen veroorzaken, of om ongunstige omstandigheden te vermijden die ertoe kunnen leiden dat chemisch onstabiele stoffen of mengsels van stoffen ongelukken met ernstige fysieke gevolgen veroorzaken; en

c) de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers als gevolg van brand en explosies ten gevolge van het ontbranden van ontvlambare stoffen, of ernstige fysieke gevolgen ten gevolge van ongelukken veroorzaakt door chemisch onstabiele stoffen of mengsels van stoffen te verminderen.

Door de werkgever voor de bescherming van de werknemers verstrekte werkuitrusting en beschermingssystemen moeten voldoen aan de relevante communautaire bepalingen betreffende ontwerp, vervaardiging en levering met betrekking tot gezondheid en veiligheid. Door de werkgever genomen technische en/of organisatorische maatregelen moeten rekening houden en verenigbaar zijn met de indeling van de groepen apparaten in categorieën in bijlage I van Richtlijn 94/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen ( 7 ).

De werkgever neemt maatregelen om een voldoende controle van de installatie, de uitrusting en de machines te waarborgen of voorziet in een inrichting voor het onderdrukken van explosies, dan wel in voorzieningen voor het afvoeren van de explosiedruk.

Artikel 7

Maatregelen bij ongevallen, voorvallen en noodsituaties

1.  Onverminderd de verplichtingen van artikel 8 van Richtlijn 89/391/EEG, stelt de werkgever, teneinde de veiligheid en gezondheid van de werknemers te beschermen bij ongevallen, voorvallen of noodsituaties die verband houden met de aanwezigheid van gevaarlijke chemische agentia op de werkplek procedures (actieplannen) vast die in werking kunnen treden wanneer dergelijke situaties zich voordoen, zodat er passende maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen omvatten mede alle terzake dienende, op gezette tijden uit te voeren, veiligheidsoefeningen en het ter beschikking stellen van passende eerstehulpvoorzieningen.

2.  Indien een van de in lid 1 bedoelde situaties zich voordoet, neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de effecten daarvan te verminderen en de werknemers hiervan in kennis te stellen.

Teneinde de normale situatie te herstellen:

 voert de werkgever onmiddellijk passende maatregelen uit om de situatie zo spoedig mogelijk te verhelpen;

 mogen alleen de werknemers die onmisbaar zijn voor het uitvoeren van reparaties en andere noodzakelijke werkzaamheden, in de getroffen zone werken.

3.  De werknemers die toestemming hebben om in de getroffen zone te werken, worden uitgerust met geschikte beschermende kleding, persoonlijke beschermingsmiddelen en speciale veiligheidsuitrusting en -apparaten, die zij moeten gebruiken zolang de abnormale situatie voortduurt; deze situatie mag niet permanent zijn.

Onbeschermde personen mogen niet in de getroffen zone verblijven.

4.  Onverminderd artikel 8 van Richtlijn 89/391/EEG neemt de werkgever de nodige maatregelen om de waarschuwings- en andere communicatiesystemen ter beschikking te stellen die nodig zijn om een toegenomen risico voor de veiligheid en gezondheid te signaleren, zodat passend kan worden gereageerd en zo nodig onmiddellijk een aanvang kan worden gemaakt met herstelmaatregelen, hulpacties en evacuatie- en reddingsoperaties.

5.  De werkgever draagt er zorg voor dat informatie over noodmaatregelen terzake van gevaarlijke chemische agentia beschikbaar is. De bij ongevallen en noodsituaties toepasselijke interne en externe diensten hebben toegang tot deze informatie. Deze informatie omvat:

 voorafgaande melding van relevante gevaren van de werkzaamheid, maatregelen voor het vaststellen van gevaren, voorzorgsmaatregelen en procedures, zodat de nooddiensten hun eigen procedures om in te grijpen en voorzorgsmaatregelen kunnen voorbereiden; en

 alle beschikbare informatie over specifieke gevaren die ontstaan of vermoedelijk zullen ontstaan bij een ongeval of noodsituatie, met inbegrip van informatie over procedures die overeenkomstig dit artikel zijn vastgesteld.

Artikel 8

Voorlichting en opleiding van de werknemers

1.  Onverminderd de artikelen 10 en 12 van Richtlijn 89/391/EEG draagt de werkgever er zorg voor dat de werknemers en/of hun vertegenwoordigers worden voorzien van:

 de overeenkomstig artikel 4 van deze richtlijn verkregen gegevens, en dat ze opnieuw op de hoogte worden gebracht telkens wanneer een belangrijke verandering op de werkplek een wijziging van die gegevens ten gevolge heeft;

 informatie over gevaarlijke chemische agentia op de werkplek, zoals de identiteit van het agens, de risico's voor de veiligheid en de gezondheid, desbetreffende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en andere wettelijke bepalingen;

 opleiding en informatie over passende voorzorgsmaatregelen en over maatregelen om zichzelf en de andere werknemers op de werkplek te beschermen;

 toegang tot elk veiligheidsinformatieblad dat door de leverancier wordt verstrekt overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1907/2006;

en dat deze voorlichting:

 wordt verstrekt op een wijze die past bij de uitslag van de in artikel 4 bedoelde risico-evaluatie. Dit kan variëren van mondelinge communicatie tot individueel onderricht en opleiding, ondersteund met schriftelijke informatie, afhankelijk van de aard en de omvang van het risico dat is gebleken bij de in voornoemd artikel voorgeschreven evaluatie;

 steeds wordt aangepast aan gewijzigde omstandigheden.

2.  Wanneer recipiënten en leidingen voor op de werkplek gebruikte gevaarlijke chemische agentia niet zijn voorzien van veiligheidsaanduidingen overeenkomstig de relevante communautaire wetgeving betreffende de etikettering van chemische agentia en de veiligheidsaanduidingen op de werkplek, zorgt de werkgever ervoor dat, onverminderd de afwijkingen die in bovengenoemde wetgeving zijn voorzien, de inhoud van de recipiënten en leidingen, samen met de aard van die inhoud en daarmee verband houdende gevaren, duidelijk aangeduid worden.

3.  De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat, voor zover noch Verordening (EG) nr. 1907/2006, noch Verordening (EG) nr. 1272/2008 enige verplichting tot het verstrekken van informatie bevat, de werkgevers op hun verzoek alle informatie over gevaarlijke chemische agentia die nodig is voor de toepassing van artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, kunnen verkrijgen, bij voorkeur van de producenten of de leveranciers.



DEEL III, DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 9

Verboden

1.  Om te voorkomen dat werknemers door bepaalde chemische agentia en/of bepaalde werkzaamheden waarbij chemische agentia worden gebruikt, worden blootgesteld aan gevaren voor hun gezondheid, zijn het produceren, vervaardigen of gebruiken op het werk van de in bijlage III vermelde chemische agentia, alsmede de aldaar vermelde werkzaamheden, verboden voorzover aangegeven in genoemde bijlage.

2.  De lidstaten kunnen in de volgende omstandigheden vrijstellingen toestaan van het bepaalde in lid 1:

 wanneer het gaat om louter wetenschappelijk onderzoek en beproeving, met inbegrip van analyse;

 voor werkzaamheden die gericht zijn op de verwijdering van de chemische agentia die aanwezig zijn in de vorm van bijproducten of afvalproducten;

 voor de productie van de in lid 1 bedoelde chemische agentia voor gebruik als tussenproducten, en voor zodanig gebruik.

De blootstelling van werknemers aan de in lid 1 bedoelde chemische agentia moet worden voorkomen, met name door te bepalen dat de productie en het vroegst mogelijke gebruik van deze chemische agentia als tussenproducten in één gesloten systeem moeten plaatsvinden, waar deze chemische agentia slechts uitgenomen mogen worden voorzover dat nodig is voor de controle op het proces of voor het onderhoud van het systeem.

De lidstaten kunnen in een systeem van individuele vergunningen voorzien.

3.  Wanneer overeenkomstig lid 2 ontheffingen worden toegestaan, verzoekt de bevoegde autoriteit de werkgever de volgende gegevens te verstrekken:

 de reden voor het verzoek om ontheffing;

 de per jaar te gebruiken hoeveelheden van het chemische agens;

 de betrokken werkzaamheden en/of reacties of processen;

 het aantal werknemers dat waarschijnlijk betrokken is;

 de geplande voorzorgsmaatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken werknemers;

 de technische en organisatorische maatregelen die zijn genomen om blootstelling van de werknemers te voorkomen.

4.  De Raad kan de lijst van verboden krachtens lid 1 volgens de procedure van artikel 118 A van het Verdrag wijzigen om er andere chemische agentia of andere werkzaamheden in op te nemen.

Artikel 10

Gezondheidskundig toezicht

1.  Onverminderd artikel 14 van Richtlijn 89/391/EEG voeren de lidstaten maatregelen in voor het uitoefenen van passend gezondheidskundig toezicht op werknemers die volgens de resultaten van de in artikel 4 bedoelde beoordeling een gezondheidsrisico lopen. Deze maatregelen, alsmede de vereisten die zijn gespecificeerd voor het gezondheids- en blootstellingsdossier en de beschikbaarheid ervan, worden overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijk ingevoerd.

Gezondheidskundig toezicht, waarvan de resultaten in aanmerking zullen worden genomen bij de toepassing van preventieve maatregelen op de specifieke werkplek, is passend wanneer:

 de blootstelling van de werknemers aan een gevaarlijk chemisch agens van dien aard is dat een aantoonbare ziekte of schadelijke invloed op de gezondheid op de blootstelling kan worden teruggevoerd; en

 de ziekte of invloed zich vermoedelijk zou voordoen in de specifieke werkomstandigheden van de werknemer; en

 de onderzoeksmethode voor de werknemers weinig gevaar oplevert.

Voorts moeten er deugdelijke technieken voor het opsporen van indicaties voor de ziekte of de invloed bestaan.

Wanneer een bindende biologische grenswaarde is vastgesteld zoals bepaald in bijlage II, is het gezondheidskundig toezicht verplicht voor het werken met het betrokken agens, overeenkomstig de in die bijlage bepaalde procedures. Werknemers moeten van die verplichting op de hoogte worden gebracht, alvorens hun de taak wordt opgedragen die een risico op blootstelling aan het vermelde gevaarlijke chemisch agens inhoudt.

2.  De lidstaten stellen maatregelen vast om ervoor te zorgen dat voor iedere werknemer die overeenkomstig lid 1 gezondheidskundig toezicht ondergaat, individuele gezondheids- en blootstellingsdossiers worden aangelegd en bijgehouden.

3.  Gezondheids- en blootstellingsdossiers bevatten een samenvatting van de uitslagen van het uitgeoefende gezondheidskundig toezicht en van eventuele bewakingsgegevens die representatief zijn voor de blootstelling van de individuele werknemer. Biologisch toezicht en daarmee verband houdende voorschriften kunnen deel uitmaken van het gezondheidskundig toezicht.

Gezondheids- en blootstellingsdossiers worden in een passende vorm bewaard om latere raadpleging mogelijk te maken, met inachtneming van het medisch geheim.

De bevoegde instantie ontvangt desgevraagd een afschrift van de dossiers. Elke werknemer heeft op zijn verzoek toegang tot de gezondheids- en blootstellingsdossiers die op hem persoonlijk betrekking hebben.

Indien een onderneming haar werkzaamheden staakt, worden de gezondheids- en blootstellingsdossiers ter beschikking van de bevoegde instantie gesteld.

4.  Indien uit het gezondheidskundig toezicht blijkt

 dat bij een werknemer een aantoonbare ziekte of schadelijke invloed op de gezondheid is vastgesteld die volgens een arts of een bedrijfsgeneeskundige het gevolg is van blootstelling aan een gevaarlijk chemisch agens op het werk; of

 dat een bindende biologische grenswaarde is overschreden,

wordt de werknemer door de arts of een ander naar behoren gekwalificeerd persoon op de hoogte gesteld van de uitslag die op hem persoonlijk betrekking heeft, en krijgt hij informatie en advies over het gezondheidskundig toezicht dat hij na beëindiging van de blootstelling zou moeten ondergaan, en

treft de werkgever de volgende maatregelen:

 hij herziet de risico-evaluatie die overeenkomstig artikel 4, lid 1, is uitgevoerd;

 hij herziet de maatregelen die overeenkomstig de artikelen 5 en 6 genomen om het risico op te heffen of te verkleinen;

 hij houdt rekening met het advies van de bedrijfsgeneeskundige of andere naar behoren gekwalificeerde persoon, dan wel de bevoegde autoriteit bij het nemen van maatregelen die nodig zijn om het risico op te heffen of te verkleinen in overeenstemming met artikel 6; hij kan de werknemer ander werk geven waarbij geen blootstellingsrisico meer bestaat; en

 hij zorgt voor voortgezet gezondheidskundig toezicht en treft maatregelen voor een heronderzoek van de gezondheidstoestand van elke andere werknemer die op soortgelijke wijze is blootgesteld; in dergelijke gevallen kan de bevoegde arts of de bedrijfsgeneeskundige, dan wel de bevoegde autoriteit adviseren de blootgestelde personen een medisch onderzoek te laten ondergaan.

Artikel 11

Raadpleging en deelneming van de werknemers

De raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers met betrekking tot de gebieden die onder de werkingssfeer van deze richtlijn en de bijlagen ervan vallen, vinden plaats overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG.

Artikel 12

Aanpassing van de bijlagen, opstelling en goedkeuring van technische begeleiding

1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om zuiver technische wijzigingen aan te brengen in de bijlagen, teneinde rekening te houden met de technische harmonisatie en normalisatie, de technische vooruitgang, wijzigingen in internationale normen of specificaties en nieuwe bevindingen op het gebied van chemische agentia.

Indien, in naar behoren gemotiveerde en uitzonderlijke gevallen van onmiddellijke, rechtstreekse en ernstige risico’s voor de lichamelijke gezondheid en veiligheid van werknemers en andere personen, om dwingende redenen van urgentie binnen een zeer kort tijdsbestek actie vereist is, is de in artikel 12 ter neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  De Commissie stelt niet-bindende praktische richtsnoeren op. Deze richtsnoeren betreffen de in de artikelen 3 tot en met 6 en in bijlage II, punt 1, genoemde zaken.

Overeenkomstig Besluit 74/325/EEG raadpleegt de Commissie eerst het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats.

In de context van de toepassing van deze richtlijn houden de lidstaten bij het opstellen van hun nationaal beleid inzake de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers zoveel mogelijk rekening met deze richtsnoeren.

Artikel 12 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 3, lid 2, en artikel 12, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 26 juli 2019. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, en artikel 12, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 8 ).

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 12, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 12 ter

Spoedprocedure

1.  Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 12 bis, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 13

Intrekking en wijziging van eerdere richtlijnen

1.  Richtlijn 80/1107/EEG, Richtlijn 82/605/EEG en Richtlijn 88/364/EEG worden ingetrokken met ingang van de in artikel 14, lid 1, genoemde datum.

2.  Richtlijn 83/477/EEG van de Raad van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van Richtlijn 80/1107/EEG) ( 9 ) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1, lid 1, wordt de volgende zinsnede geschrapt: „, die de tweede bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 8 van Richtlijn 80/1107/EEG,”;

b) artikel 9, lid 2, wordt vervangen door:

„2.  De wijzigingen die voor de aanpassing van de bijlagen van deze richtlijn aan de technische vooruitgang nodig zijn, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk ( *1 ).

c) in artikel 15, punt 1, tweede alinea, wordt de zinsnede „overeenkomstig de in artikel 10 van Richtlijn 80/1107/EEG vastgestelde procedure” vervangen door „volgens de procedure van artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG.”.

3.  Richtlijn 86/188/EEG van de Raad van 12 mei 1986 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan lawaai op het werk ( 10 ) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1, lid 1, wordt de zinsnede „, die de derde bijzondere richtlijn is in de zin van Richtlijn 80/1107/EEG,” geschrapt;

b) artikel 12, lid 2, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De bijlagen I en II worden aan de technische vooruitgang aangepast volgens de procedure van artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk ( *2 ).

4.  Elke andere verwijzing in Richtlijn 83/477/EEG en Richtlijn 86/188/EEG naar Richtlijn 80/1107/EEG komt te vervallen met ingang van de datum waarop die richtlijn wordt ingetrokken.

5.  De Richtlijnen 91/322/EEG en 96/94/EG blijven van kracht.



AFDELING IV, SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 5 mei 2001 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied reeds hebben vastgesteld of vaststellen.

Artikel 16

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 17

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE I

LIJST VAN BINDENDE GRENSWAARDEN VOOR BEROEPSMATIGE BLOOTSTELLING



Naam van het agens

Einecs (1) Nr.

CAS (2) Nr.

Grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling 8 h (3)

Grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling

Korte termijn (4)

mg/m3 (5)

ppm (6)

mg/m3

ppm

Anorganisch lood en verbindingen daarvan

 

 

0,15

 

 

 

(1)   Einecs: European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances (Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen).

(2)   CAS: Chemical Abstracts Service.

(3)   Gemeten of berekend voor een referentieperiode van acht uur, tijdgewogen gemiddelde.

(4)   Een grenswaarde voor blootstelling die niet zou mogen worden overschreden en geldt voor een periode van 15 minuten tenzij anders is vermeld.

(5)   mg/m3 = milligram per kubieke meter lucht bij 20 °C en 101,3 kPa.

(6)   ppm: deel per miljoen in luchtvolume (ml/m3).




BIJLAGE II

BINDENDE BIOLOGISCHE GRENSWAARDEN EN MAATREGELEN VOOR GEZONDHEIDSTOEZICHT

1.   Lood en ionenverbindingen van lood

1.1.

Biologische bewaking omvat meting van het bloedloodgehalte (PbB) aan de hand van absorptiespectrometrie of een methode die gelijkwaardige resultaten oplevert. De bindende biologische grenswaarde is:

70 μg Pb/100 ml bloed

1.2.

Medisch toezicht wordt uitgeoefend wanneer:

 de blootstelling aan loodconcentratie in de lucht groter is dan 0,075 mg/m3, berekend als een tijdgewogen gemiddelde over 40 uur per week, of

 een individueel bloedloodgehalte van meer als dan 40 μg Pb/100 ml bloed bij de werknemers wordt gemeten.

1.3.

Er worden overeenkomstig artikel 12, lid 2, praktische richtsnoeren voor biologische bewaking en medisch toezicht opgesteld. In deze richtsnoeren worden biologische indicatoren (bijvoorbeeld ALAU, ZPP, ALAD) en strategieën voor biologische bewaking aanbevolen.




BIJLAGE III

VERBODEN

Het produceren, vervaardigen of gebruiken op het werk van de onderstaande chemische agentia en de hierna vermelde werkzaamheden waarbij chemische agentia worden gebruikt, zijn verboden. Het verbod geldt niet indien het chemisch agens aanwezig is in een ander chemisch agens of deel uitmaakt van een afvalproduct, mits de individuele concentratie daarin beneden de vastgestelde grenswaarde blijft.

a)   Chemische agentia



Einecs (1) Nr.

CAS (2) Nr.

Naam van het agens

Concentratielimiet voor vrijstelling

202-080-4

91-59-8

2-naftylamine en de zouten daarvan

0,1 % w/w

202-177-1

92-67-1

4-aminodifenyl en de zouten daarvan

0,1 % w/w

202-199-1

92-87-5

Benzidine en de zouten daarvan

0,1 % w/w

202-204-7

92-93-3

4-nitrodifenyl

0,1 % w/w

(1)   Einecs: European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances (Europese Inventaris van bestaande chemische handelsstoffen).

(2)   CAS: Chemical Abstracts Service.

b)   Werkzaamheden

Geen.



( 1 ) PB L 196 van 26.7.1990, blz. 1.

( 2 ) Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PB L 319 van 12.12.1994, blz. 7). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 96/86/EG van de Commissie (PB L 335 van 24.12.1996, blz. 43).

( 3 ) Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 25). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 96/87/EG van de Commissie (PB L 335 van 24.12.1996, blz. 45).

( 4 ) Richtlijn 93/75/EG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (PB L 247 van 5.10.1993, blz. 19). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/34/EG van de Commissie (PB L 158 van 17.6.1997, blz. 40).

( 5 ) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

( 6 ) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

( 7 ) PB L 100 van 19.4.1994, blz. 1.

( 8 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 9 ) PB L 263 van 24.9.1983, blz. 25. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 91/382/EEG (PB L 206 van 29.7.1991, blz. 16).

( *1 ) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.”;

( 10 ) PB L 137 van 24.5.1986, blz. 28.

( *2 ) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.”.