VERORDENING (EG) Nr. 111/2005 VAN DE RAAD, van 22 december 2004, houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de ►M1  Unie ◄ en derde landen in drugsprecursoren

Print     PDF



HOOFDSTUK I, ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Deze verordening stelt voorschriften vast voor het toezicht op de handel tussen de ►M1  Unie ◄ en derde landen in bepaalde stoffen die veelvuldig worden gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen (hierna „drugsprecursoren” genoemd) teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen; zij is van toepassing op de invoer, de uitvoer en op intermediaire activiteiten.

Deze verordening geldt onverminderd specifieke regelgeving op andere gebieden in verband met de handel in goederen tussen de ►M1  Unie ◄ en derde landen.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a) „geregistreerde stof”: elke in de bijlage genoemde stof die voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen kan worden gebruikt, met inbegrip van mengsels en natuurproducten die dergelijke stoffen bevatten maar met uitzondering van mengsels en natuurproducten die geregistreerde stoffen bevatten en die zodanig zijn vermengd dat de geregistreerde stoffen niet gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kunnen worden gebruikt of geëxtraheerd, geneesmiddelen in de zin van artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als omschreven in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ), met uitzondering van in de bijlage genoemde geneesmiddelen en diergeneesmiddelen;

b) „niet-geregistreerde stof”: elke stof die niet in de bijlage wordt genoemd, maar waarvan bekend is dat ze is gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;

c) „invoer”: elke binnenkomst in het douanegebied van de Unie van geregistreerde stoffen die de status van niet-Uniegoederen hebben, met inbegrip van tijdelijke opslag, plaatsing in een vrije zone of een vrij entrepot, plaatsing onder een schorsingsprocedure en het in het vrije verkeer brengen in de zin van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad ( 3 )

d) „uitvoer”: elk vertrek van geregistreerde stoffen uit het douanegebied van de ►M1  Unie ◄ , met inbegrip van het vertrek van geregistreerde stoffen waarvoor een douaneaangifte vereist is en het vertrek van geregistreerde stoffen na de opslag ervan in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot in de zin van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

e) „intermediaire activiteiten”: activiteiten in verband met het regelen van de aan- of verkoop dan wel levering van geregistreerde stoffen die wordt verricht door een natuurlijk of rechtspersoon om tot een overeenkomst te komen tussen twee partijen of waarbij wordt opgetreden namens ten minste één van deze partijen zonder in het bezit te zijn van deze stoffen of controle te hebben over het uitvoeren van een dergelijke transactie; deze definitie omvat tevens elke activiteit die wordt uitgevoerd door een natuurlijk of rechtspersoon die in de ►M1  Unie ◄ is gevestigd en betrekking heeft op de aan- of verkoop dan wel levering van geregistreerde stoffen zonder dat deze stoffen in het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ worden binnengebracht;

f) „marktdeelnemer”: elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de in- en uitvoer van geregistreerde stoffen of hiermee verband houdende intermediaire activiteiten, met inbegrip van personen die als zelfstandige douaneaangiften doen voor klanten, hetzij als hoofdactiviteit hetzij als nevenactiviteit in verband met een andere activiteit;

g) „exporteur”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor de uitvoeractiviteiten op grond van zijn economische en juridische relatie tot de geregistreerde stoffen en tot de ontvanger en, in voorkomend geval, door of namens wie de douaneaangifte wordt gedaan;

h) „importeur”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor de invoeractiviteiten op grond van zijn economische en juridische relatie tot de geregistreerde stoffen en tot de afzender en, in voorkomend geval, door of namens wie de douaneaangifte wordt gedaan;

i) „uiteindelijke ontvanger”: elke natuurlijke of rechtspersoon aan wie de geregistreerde stoffen worden afgeleverd; deze persoon is niet noodzakelijkerwijs de eindgebruiker;

j) „natuurproduct”: organisme of deel ervan in enige vorm, of een stof die in de natuur voorkomt volgens de definitie van artikel 3, punt 39, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 );

k) „Internationaal Comité van toezicht op verdovende middelen”: het Comité dat is ingesteld bij het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972.



HOOFDSTUK II, TOEZICHT OP DE HANDEL



DEEL 1, Documenten en etikettering

Artikel 3

Alle in- en uitvoer en intermediaire activiteiten waarbij geregistreerde stoffen, met uitzondering van de in categorie 4 van de bijlage genoemde stoffen, betrokken zijn, worden door de marktdeelnemer geboekstaafd met douane- en handelsbescheiden, zoals summiere aangiften, douaneaangiften, facturen, vrachtbrieven, vervoers- en andere verzendingsdocumenten.

Deze documenten bevatten de volgende informatie:

a) de naam van de geregistreerde stof zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld, gevolgd door het woord „DRUG PRECURSORS”;

b) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid, het gewicht en, indien beschikbaar, het percentage van elke in het mengsel voorkomende geregistreerde stof;

c) naam en adres van de exporteur, de importeur, de uiteindelijke ontvanger en, in voorkomend geval, de persoon die zich bezighoudt met intermediaire activiteiten.

Artikel 4

De in artikel 3 bedoelde documenten worden door de marktdeelnemers bewaard gedurende drie jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de transactie heeft plaatsgevonden. De documentatie moet zodanig zijn opgezet, hetzij elektronisch, hetzij op papier, dat zij op verzoek snel beschikbaar is voor inspectie door de bevoegde instanties. De documentatie kan worden ingediend via een beeld- of andere gegevensdrager, mits de gegevens, wanneer zij leesbaar worden gemaakt, overeenstemmen met de vorm en de inhoud van de documenten, op elk moment beschikbaar zijn, onmiddellijk leesbaar kunnen worden gemaakt en op geautomatiseerde wijze kunnen worden geanalyseerd.

Artikel 5

De marktdeelnemers zorgen ervoor dat op iedere verpakking die geregistreerde stoffen bevat, met uitzondering van in categorie 4 van de bijlage genoemde stoffen, etiketten zijn aangebracht met hun naam zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, hun naam en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld, met uitzondering van in categorie 4 van de bijlage genoemde stoffen. De marktdeelnemers mogen daarnaast ook hun gewone etiketten aanbrengen.



DEEL 2, Vergunning- en registratieplicht van marktdeelnemers

Artikel 6

1.  Tenzij anders bepaald moeten in de Unie gevestigde marktdeelnemers die zich bezighouden met in- en uitvoer of intermediaire activiteiten met betrekking tot geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage, met uitzondering van douaneagenten en transporteurs die uitsluitend in die hoedanigheid optreden, in het bezit zijn van een vergunning. De bevoegde instantie van de lidstaat waar de marktdeelnemer gevestigd is, geeft de vergunning af.

Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag houdt de bevoegde instantie rekening met de competentie en de integriteit van de aanvrager, in het bijzonder de afwezigheid van ernstige of herhaalde overtredingen van de wetgeving op het gebied van drugsprecursoren en de afwezigheid van ernstige strafbare feiten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de voorwaarden te bepalen voor het verlenen van een vergunning en voor de vaststelling van de gevallen waarin geen vergunning is vereist.

2.  De bevoegde instanties kunnen de vergunning schorsen of intrekken als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is afgegeven, of als er een redelijk vermoeden van een risico van misbruik van geregistreerde stoffen bestaat.

3.  De Commissie stelt een model voor vergunningen op door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 7

1.  Tenzij anders bepaald moeten in de Unie gevestigde marktdeelnemers die zich bezighouden met in- en uitvoer of intermediaire activiteiten met betrekking tot geregistreerde stoffen van categorie 2 van de bijlage, of de uitvoer van geregistreerde stoffen van categorie 3 van de bijlage, met uitzondering van douaneagenten en transporteurs die uitsluitend in die hoedanigheid optreden, in het bezit zijn van een registratie. De bevoegde instantie van de lidstaat waar de marktdeelnemer gevestigd is, geeft de registratie af.

Bij de beoordeling van een registratieaanvraag houdt de bevoegde instantie rekening met de competentie en de integriteit van de aanvrager, in het bijzonder de afwezigheid van ernstige of herhaalde overtredingen van de wetgeving op het gebied van drugsprecursoren en de afwezigheid van ernstige strafbare feiten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de voorwaarden te bepalen voor het verlenen van een registratie en voor de vaststelling van de gevallen waarin geen registratie is vereist.

2.  De bevoegde instanties kunnen de registratie schorsen of intrekken als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de registratie is afgegeven, of als er een redelijk vermoeden van een risico van misbruik van geregistreerde stoffen bestaat.

Artikel 8

1.  Bij het binnenbrengen van de geregistreerde stoffen in het douanegebied van de Unie voor lossing of overlading, voor tijdelijke opslag, voor opslag in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot of voor plaatsing onder de regeling extern Uniedouanevervoer, moeten de legale doeleinden op verzoek van de bevoegde instanties door de marktdeelnemer worden aangetoond.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van de criteria om te bepalen hoe de legale doeleinden van de transactie kunnen worden aangetoond, teneinde te waarborgen dat alle bewegingen van geregistreerde stoffen binnen het douanegebied van de Unie door de bevoegde instanties onder toezicht kunnen worden gehouden en dat het risico van misbruik zo gering mogelijk wordt gehouden.



DEEL 3, Informatieverstrekking

Artikel 9

1.  De in de Unie gevestigde marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat dergelijke voor in- en uitvoer of intermediaire activiteiten bestemde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.

De marktdeelnemers verstrekken daartoe alle beschikbare informatie, zoals:

a) de naam van de geregistreerde stof;

b) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof;

c) de naam en het adres van de exporteur, de importeur, de uiteindelijke ontvanger en, in voorkomend geval, de persoon die zich bezighoudt met de intermediaire activiteiten.

Deze informatie wordt uitsluitend verzameld om misbruik van geregistreerde stoffen te voorkomen.

2.  De marktdeelnemers verstrekken de bevoegde instanties beknopte informatie over hun in- en uitvoer of intermediaire activiteiten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van de informatie die de bevoegde instanties nodig hebben om toezicht te kunnen uitoefenen op die activiteiten.

De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de procedureregels voor het verstrekken van die informatie, in voorkomend geval ook in elektronische vorm, aan de Europese databank voor drugsprecursoren, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ) („de Europese databank”). Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 10

1.  Om de samenwerking tussen de bevoegde instanties van de lidstaten, de in de ►M1  Unie ◄ gevestigde marktdeelnemers en de chemische industrie te vergemakkelijken, met name ten aanzien van niet-geregistreerde stoffen, moet de Commissie in overleg met de lidstaten richtsnoeren opstellen en bijwerken.

2.  Deze richtsnoeren omvatten met name:

a) informatie over manieren om verdachte transacties te herkennen en te melden;

b) een geregeld bijgewerkte lijst van niet-geregistreerde stoffen om de industrie in staat te stellen vrijwillig op de handel in deze stoffen toe te zien.

3.  De bevoegde instanties zorgen ervoor dat de richtsnoeren geregeld worden verspreid, overeenkomstig de doeleinden van deze richtsnoeren.

4.  Om snel in te spelen op nieuwe trends bij het misbruik, kunnen de bevoegde instanties van de lidstaten en de Commissie voorstellen een niet-geregistreerde stof aan de in lid 2, onder b), bedoelde lijst toe te voegen om tijdelijk toezicht te houden op de handel in die stof. Nadere regels en criteria voor plaatsing op of schrapping van deze lijst worden vastgelegd in de in lid 1 bedoelde richtsnoeren.

5.  Indien vrijwillig toezicht door de industrie ontoereikend wordt geacht om het gebruik van niet-geregistreerde stoffen voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen te voorkomen, kan de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 30 ter de niet-geregistreerde stof toevoegen aan de bijlage.



DEEL 4, Voorafgaande kennisgeving van uitvoer

Artikel 11

1.  De uitvoer van geregistreerde stoffen van categorie 1 en categorie 4 van de bijlage en de uitvoer van geregistreerde stoffen van de categorieën 2 en 3 van de bijlage naar bepaalde landen van bestemming, wordt voorafgegaan door een voorafgaande kennisgeving van uitvoer die door de bevoegde instanties in de Unie wordt toegezonden aan de bevoegde instanties van het land van bestemming, overeenkomstig artikel 12, lid 10, van het Verdrag van de Verenigde Naties. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter van deze verordening gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van de lijsten van landen van bestemming van de uitvoer van geregistreerde stoffen van de categorieën 2 en 3 van de bijlage om het risico van misbruik van geregistreerde stoffen en geneesmiddelen zo gering mogelijk te maken.

Het land van bestemming krijgt een termijn van 15 werkdagen voor een antwoord, na het verstrijken waarvan de uitvoer door de bevoegde instanties van de lidstaat van uitvoer kan worden toegestaan indien van de bevoegde instanties van het land van bestemming geen gegevens zijn ontvangen waaruit blijkt dat deze transactie wellicht bestemd is voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

2.  Wat betreft de geregistreerde stoffen waarvoor overeenkomstig lid 1 een voorafgaande kennisgeving van uitvoer is vereist, verstrekken de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat, voorafgaand aan de uitvoer van bedoelde stoffen, de in artikel 13, lid 1, vermelde informatie aan de bevoegde instanties van het land van bestemming.

De instantie die dergelijke inlichtingen verstrekt, verlangt van de instantie van het derde land die deze ontvangt, dat zij het vertrouwelijke karakter bewaart van alle economische, industriële, commerciële of beroepsgeheimen of van alle informatie over een handelsprocédé die deze kunnen bevatten.

3.  De bevoegde instanties mogen vereenvoudigde procedures voor voorafgaande kennisgevingen van uitvoer toepassen indien zij er zeker van zijn dat dit geen risico van misbruik van geregistreerde stoffen oplevert. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van dergelijke procedures en de door de bevoegde instanties te gebruiken gemeenschappelijke criteria.



DEEL 5, Uitvoervergunning

Artikel 12

1.  Voor de uitvoer van geregistreerde stoffen waarvoor een douaneaangifte vereist is, met inbegrip van de uitvoer van geregistreerde stoffen die het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ verlaten nadat zij gedurende een periode van ten minste tien dagen waren opgeslagen in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot, is een uitvoervergunning vereist.

Wanneer geregistreerde stoffen worden wederuitgevoerd binnen tien dagen nadat zij onder een schorsingsregeling of in een vrije zone van controletype II zijn geplaatst, behoeft geen uitvoervergunning te worden verlangd.

Voor de uitvoer van geregistreerde stoffen van categorie 3 van de bijlage is alleen een uitvoervergunning vereist wanneer een voorafgaande kennisgeving van uitvoer verplicht is.

2.  Uitvoervergunningen worden afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is.

Artikel 13

1.  De aanvraag voor een uitvoervergunning zoals bedoeld in artikel 12 bevat ten minste de volgende informatie:

a) naam en adres van de exporteur, de importeur in het derde land, alle andere marktdeelnemers die betrokken zijn bij de exporttransactie of verzending, en de uiteindelijke ontvanger;

b) naam van de geregistreerde stof zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam en de achtcijferige GN-code daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld;

c) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid, het gewicht en, indien beschikbaar, het percentage van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof, en

d) de gegevens over het vervoer, zoals de beoogde datum van verzending, de wijze van vervoer, het douanekantoor waar de aangifte moet worden gedaan en, voorzover deze gegevens in dit stadium bekend zijn, het vervoermiddel, de reisweg, de voorgenomen plaats van uitgang uit het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ en die van binnenkomst in het land van invoer;

e) in de in artikel 17 bedoelde gevallen een kopie van de door het land van bestemming afgegeven invoervergunning, en

f) het nummer van de in de artikelen 6 en 7 bedoelde vergunning of registratie.

Een aanvraag voor een uitvoervergunning voor geregistreerde stoffen van categorie 4 van de bijlage bevat de in de eerste alinea, punten a) tot en met e), bedoelde informatie.

2.  Het besluit over de aanvraag van een uitvoervergunning wordt genomen binnen een termijn van 15 werkdagen na de datum waarop de bevoegde instanties het dossier volledig achten.

Deze termijn kan worden verlengd indien de bevoegde instanties in de in artikel 17 bedoelde gevallen op grond van artikel 17, tweede alinea, aanvullend onderzoek moeten verrichten.

Artikel 14

1.  Wanneer de bijzonderheden omtrent de reisweg en het vervoermiddel niet in de aanvraag worden genoemd, moet op de uitvoervergunning zijn aangegeven dat de marktdeelnemer verplicht is deze gegevens vóór het fysieke vertrek van de zending te verstrekken aan het douanekantoor van uitgang of een andere bevoegde instantie op de plaats van uitgang waar de stoffen het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ verlaten. In dit geval moet bij de afgifte in de uitvoervergunning een dienovereenkomstige aantekening worden opgenomen.

Wanneer de uitvoervergunning wordt overgelegd aan een douanekantoor in een andere lidstaat dan die van de instantie die de vergunning heeft afgegeven, stelt de exporteur op verzoek een gewaarmerkte vertaling van een deel of van alle informatie in de vergunning beschikbaar.

2.  De uitvoervergunning wordt aan het douanekantoor overgelegd wanneer de douaneaangifte wordt gedaan, of, wanneer geen aangifte wordt gedaan, bij het douanekantoor van uitgang of een andere bevoegde instantie op de plaats van uitgang waar de stoffen het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ verlaten. De vergunning vergezelt de zending naar het derde land van bestemming.

Het douanekantoor van uitgang of een andere bevoegde instantie op de plaats van uitgang waar de stoffen het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ verlaten, vult de nodige informatie bedoeld in artikel 13, lid 1, onder d), in op de vergunning en plaatst hierop zijn stempel.

Artikel 15

Onverminderd de overeenkomstig artikel 26, lid 3, genomen maatregelen wordt de afgifte van de uitvoervergunning geweigerd wanneer:

a) de overeenkomstig artikel 13, lid 1, ingediende informatie onvolledig is;

b) er een redelijk vermoeden bestaat dat de overeenkomstig artikel 13, lid 1, verstrekte informatie vals of onjuist is;

c) in de in artikel 17 bedoelde gevallen is vastgesteld dat de invoer van geregistreerde stoffen niet is toegestaan door de bevoegde instanties van het land van bestemming, of

d) er een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 16

De bevoegde instanties kunnen de uitvoervergunning schorsen of intrekken indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 17

Wanneer krachtens een overeenkomst tussen de ►M1  Unie ◄ en een derde land de uitvoer slechts is toegestaan indien door de bevoegde instantie van dit land een invoervergunning voor de betrokken stoffen is afgegeven, deelt de Commissie de bevoegde instantie van de lidstaten de naam en het adres van de bevoegde instantie van het derde land mee, evenals alle praktische informatie die dit land heeft verstrekt.

De bevoegde instanties in de lidstaten vergewissen zich van de authenticiteit van een dergelijke invoervergunning, zo nodig door bevestiging te vragen aan de bevoegde instantie van het derde land.

Artikel 18

De goederen moeten het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ hebben verlaten binnen de geldigheidsperiode van de uitvoervergunning, te weten zes maanden na de datum waarop de uitvoervergunning is afgegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan deze geldigheidsperiode op verzoek worden verlengd.

Artikel 19

De bevoegde instanties mogen vereenvoudigde procedures voor het verlenen van een uitvoervergunning toepassen indien zij er zeker van zijn dat dit geen risico van misbruik van geregistreerde stoffen oplevert. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van dergelijke procedures en de door de bevoegde instanties te gebruiken gemeenschappelijke criteria.



DEEL 6, Invoervergunning

Artikel 20

Voor de invoer van geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage is een invoervergunning vereist. Een invoervergunning mag slechts worden afgegeven aan in de ►M1  Unie ◄ gevestigde marktdeelnemers. De invoervergunning wordt afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar de importeur gevestigd is.

Er is evenwel geen invoervergunning vereist indien de in de eerste alinea bedoelde stoffen worden gelost of overgeladen, tijdelijk worden opgeslagen, worden opgeslagen in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot, of onder de regeling voor extern Uniedouanevervoer worden geplaatst.

Artikel 21

1.  De aanvraag voor een invoervergunning zoals bedoeld in artikel 20, bevat ten minste de volgende informatie:

a) naam en adres van de importeur, de exporteur in het derde land, alle andere betrokken marktdeelnemers en de uiteindelijke ontvanger;

b) naam van de geregistreerde stof zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam en de achtcijferige GN-code daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld;

c) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid, het gewicht en, indien beschikbaar, het percentage van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof;

d) indien beschikbaar, gegevens over het vervoer, zoals de methoden en middelen van vervoer, de datum en plaats van de beoogde invoertransacties, en

e) het nummer van de in de artikelen 6 en 7 bedoelde vergunning of registratie.

2.  Uiterlijk 15 werkdagen na de datum waarop de bevoegde instanties het dossier volledig achten, wordt een besluit genomen over de aanvraag van een invoervergunning.

Artikel 22

De invoervergunning vergezelt de zending van het punt van binnenkomst in het ►M1  douanegebied van de Unie ◄ tot het bedrijf van de importeur of de uiteindelijke ontvanger.

De invoervergunning wordt aan het douanekantoor overgelegd wanneer de geregistreerde stoffen voor een douaneprocedure worden aangegeven.

Wanneer de invoervergunning wordt overgelegd aan een douanekantoor in een andere lidstaat dan die van de instantie die de vergunning heeft afgegeven, stelt de importeur op verzoek een gewaarmerkte vertaling van een deel of van alle informatie in de vergunning beschikbaar.

Artikel 23

Onverminderd de overeenkomstig artikel 26, lid 3, genomen maatregelen wordt de afgifte van de invoervergunning geweigerd wanneer:

a) de overeenkomstig artikel 21, lid 1, ingediende informatie onvolledig is;

b) er een redelijk vermoeden bestaat dat de overeenkomstig artikel 21, lid 1, verstrekte informatie vals of onjuist is, of

c) er een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken geregistreerde stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 24

De bevoegde instanties kunnen de invoervergunning schorsen of intrekken indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 25

De geregistreerde stoffen moeten het douanegebied van de ►M1  Unie ◄ zijn binnengekomen binnen de geldigheidsperiode van de invoervergunning, te weten zes maanden na de datum waarop de invoervergunning is afgegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan deze geldigheidsperiode op verzoek worden verlengd.



HOOFDSTUK III, BEVOEGDHEDEN VAN DE BEVOEGDE INSTANTIES

Artikel 26

1.  Onverminderd de artikelen 11 tot en met 25 en de leden 2 en 3 van dit artikel, verbieden de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat het binnenbrengen van geregistreerde stoffen in het douanegebied van de Unie of het buiten dit gebied brengen van deze stoffen, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat deze stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

2.  De bevoegde instanties houden de geregistreerde stoffen vast of schorsen de vrijgave ervan gedurende de tijd die nodig is om de benaming van de geregistreerde stoffen of de inachtneming van de voorschriften van deze verordening te verifiëren.

3.  Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om de bevoegde instanties in staat te stellen om, met name:

a) informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met geregistreerde stoffen;

b) de bedrijfsruimten van de betrokken marktdeelnemers te betreden om bewijzen van onregelmatigheden te verzamelen;

c) vast te stellen dat misbruik of een poging tot misbruik van geregistreerde stoffen heeft plaatsgevonden.

3 bis.  De bevoegde instanties van elke lidstaat verbieden het binnenbrengen van zendingen in het douanegebied van de Unie of het buiten dit gebied brengen van niet-geregistreerde stoffen, indien er voldoende bewijs is dat deze stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

De bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk daarvan in kennis volgens de in artikel 27 bedoelde procedure.

Deze stoffen worden geacht te zijn voorgesteld voor opname in de in artikel 10, lid 2, onder b), bedoelde lijst van niet-geregistreerde stoffen.

3 ter.  Elke lidstaat kan de nodige maatregelen vaststellen om zijn bevoegde instanties in staat te stellen de controle van en het toezicht op verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen uit te voeren, en met name:

a) informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met niet-geregistreerde stoffen;

b) bedrijfsruimten te betreden om bewijzen van verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen te verzamelen.

4.  Om specifieke risico’s op het stuk van bestemmingswijziging met het oog op misbruik in vrije zones alsmede in andere gevoelige gebieden zoals douane-entrepots te voorkomen, zorgen de lidstaten ervoor dat op transacties die in deze gebieden worden uitgevoerd, in elk stadium van deze transacties effectieve controles worden toegepast en dat die controles ten minste even stringent zijn als de in andere delen van het douanegebied toegepaste controles.

5.  De bevoegde instanties kunnen van de marktdeelnemer verlangen dat hij een vergoeding betaalt voor de aanvraag van een vergunning of een registratie. Deze eventuele vergoeding wordt op niet-discriminerende wijze geheven en het bedrag ervan is niet groter dan de geraamde kosten voor de behandeling van de aanvraag.



HOOFDSTUK IV, ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 27

Voor de toepassing van deze verordening en onverminderd artikel 30 zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 515/97 mutatis mutandis van toepassing. Elke lidstaat deelt de andere lidstaten en de Commissie de naam mee van de bevoegde instanties die overeenkomstig artikel 2, lid 2, van die verordening zijn aangewezen om zich met elkaar in verbinding te stellen.



HOOFDSTUK V

GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 28

Naast de in artikel 26 bedoelde maatregelen is de Commissie bevoegd zo nodig door middel van uitvoeringshandelingen maatregelen vast stellen om een effectief toezicht op de handel in drugsprecursoren tussen de Unie en derde landen te waarborgen, met name wat betreft het ontwerp en het gebruik van de formulieren voor de uitvoer- en invoervergunningen, teneinde misbruik van drugsprecursoren te voorkomen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 30

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Comité drugsprecursoren. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 30 bis

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen op het gebied van misbruik van drugsprecursoren, met name stoffen die gemakkelijk kunnen worden omgevormd tot geregistreerde stoffen, en om gevolg te geven aan alle wijzigingen in de tabellen in de bijlage bij het Verdrag van de Verenigde Naties.

Artikel 30 ter

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 6, lid 1, derde alinea, artikel 7, lid 1, derde alinea, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, tweede alinea, artikel 10, lid 5, artikel 11, leden 1 en 3, artikel 19, artikel 30 bis en artikel 32, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar die ingaat op 30 december 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de periode van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 1, derde alinea, artikel 7, lid 1, derde alinea, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, tweede alinea, artikel 10, lid 5, artikel 11, leden 1 en 3, artikel 19, artikel 30 bis en artikel 32, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde alinea, artikel 7, lid 1, derde alinea, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, tweede alinea, artikel 10, lid 5, artikel 11, leden 1 en 3, artikel 19, artikel 30 bis, artikel 32, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.



HOOFDSTUK VI, SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

De lidstaten stellen de sancties vast die bij overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verordening wordt toegepast. De beoogde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 32

1.  De bevoegde instanties van elke lidstaat verstrekken de Commissie in elektronische vorm, via de Europese databank, tijdig alle relevante informatie over de uitvoering van de bij deze verordening vastgestelde toezichtmaatregelen, in het bijzonder met betrekking tot de voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen gebruikte stoffen en de bij misbruik en illegale vervaardiging gehanteerde methoden, en de legale handel daarin.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het nader bepalen van de voorschriften en voorwaarden voor de uit hoofde van lid 1 van dit artikel te verstrekken informatie.

3.  Op basis van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie evalueert de Commissie in overleg met de lidstaten de doeltreffendheid van deze verordening, en stelt zij, overeenkomstig artikel 12, lid 12, van het Verdrag van de Verenigde Naties, een jaarverslag op dat wordt ingediend bij het Internationaal Comité van Toezicht op verdovende middelen.

4.  De Commissie moet uiterlijk 31 december 2019 een verslag indienen bij het Europees Parlement en bij de Raad inzake de uitvoering en werking van deze verordening, en met name inzake de eventuele behoefte aan extra activiteiten op het gebied van toezicht en controle op verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen.

Artikel 32 bis

De bevoegde instanties van de lidstaten en de Commissie gebruiken de Europese databank, onder de voor het gebruik daarvan vastgestelde voorwaarden, voor de volgende doeleinden:

a) het vergemakkelijken van de informatieverstrekking overeenkomstig artikel 32, lid 1, en van de rapportage aan het Internationale Comité van toezicht op verdovende middelen overeenkomstig artikel 32, lid 3;

b) het beheren van een Europees register van marktdeelnemers aan wie een vergunning of een registratie is afgegeven;

c) marktdeelnemers in staat te stellen om de bevoegde instanties informatie in elektronische vorm te verstrekken over hun uitvoer, invoer of intermediaire activiteiten overeenkomstig artikel 9, lid 2.

Artikel 33

1.  De verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde instanties in de lidstaten geschiedt in overeenstemming met nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ) en onder toezicht van de in artikel 28 van die richtlijn bedoelde toezichthoudende autoriteit.

2.  De verwerking van persoonsgegevens door de Commissie, met inbegrip van die voor de Europese databank, geschiedt in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ) en onder het toezicht van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

3.  Voor de toepassing van deze verordening worden geen bijzondere categorieën gegevens in de zin van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG verwerkt.

4.  De voor de toepassing van deze verordening verzamelde persoonsgegevens mogen niet verder verwerkt worden op een manier die in strijd is met Richtlijn 95/46/EG of Verordening (EG) nr. 45/2001 en niet langer worden bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld.

5.  De lidstaten en de Commissie verwerken geen persoonsgegevens op een wijze die niet verenigbaar is met de doelstellingen als bedoeld in artikel 32 bis.

Onverminderd artikel 13 van Richtlijn 95/46/EG mogen persoonsgegevens die uit hoofde van deze verordening zijn verkregen of verwerkt, worden gebruikt om misbruik van geregistreerde stoffen te voorkomen.

Artikel 34

Verordening (EEG) nr. 3677/90 wordt ingetrokken met ingang van 18 augustus 2005.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 35

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 18 augustus 2005. Artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 1 en lid 3, artikel 12, lid 1, artikel 19, artikel 28 en artikel 30 zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, zodat de maatregelen waarin in voornoemde artikelen is voorzien, kunnen worden aangenomen. Deze maatregelen treden ten vroegste op 18 augustus 2005 in werking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE



Lijst van geregistreerde stoffen

Categorie 1

Stof

GN-benaming

(indien afwijkend)

GN-code (1)

CAS nr. (2)

1-Fenyl-2-propanon

Fenylaceton

2914 31 00

103-79-7

N-Acetylantranilzuur

2-Aceetamidobenzoëzuur

2924 23 00

89-52-1

Isosafrol (cis + trans)

 

2932 91 00

120-58-1

3,4-Methyleendioxyfenylpropaan-2-on

1-(1,3-Benzodioxol-5-yl)propaan-2-on

2932 92 00

4676-39-5

Piperonal

 

2932 93 00

120-57-0

Safrool

 

2932 94 00

94-59-7

4-aniline-N-fenethylpiperidine (ANPP)

 

2933 39 99

21409-26-7

N-fenethyl-4-piperidone (NPP)

 

2933 39 99

39742-60-4

Efedrine

 

2939 41 00

299-42-3

Pseudo-efedrine

 

2939 42 00

90-82-4

Norefedrine

 

►M1  2939 44 00  ◄

14838-15-4

Ergometrine

 

2939 61 00

60-79-7

Ergotamine

 

2939 62 00

113-15-5

Lyserginezuur

 

2939 63 00

82-58-6

Alfa-fenylacetoacetonitril

 

2926 90 95

4468-48-8

(1R,2S)-(-)-chloorefedrine

 

2939 99 00

110925-64-9

(1S,2R)-(+)-chloorefedrine

 

2939 99 00

1384199-95-4

(1S,2S)-(+)-chloorpseudo-efedrine

 

2939 99 00

73393-61-0

(1R,2R)-(-)-chloorpseudo-efedrine

 

2939 99 00

771434-80-1

De stereoisomerische vormen van de stoffen in deze categorie behoudens cathine (3) wanneer het bestaan van deze vormen mogelijk is.

De zouten van de stoffen in deze categorie wanneer het bestaan van deze zouten mogelijk is, behalve de zouten van cathine.

(1)   PB L 290 van 28.10.2002, blz. 1.

(2)   Het CAS-nummer is het „Chemical Abstracts Service Registry Number”, een uniek getal ter aanduiding van elke specifieke stof en de structuur ervan. Elk isomeer en elk zout heeft een eigen CAS-nummer. Het CAS-nummer voor de zouten van bovengenoemde stoffen is dus afwijkend.

(3)   Ook „(+)-norpseudoefedrine” genaamd, GN-code 2939 43 00 , CAS-nummer 492-39-7.



Categorie 2

Stof

GN-benaming

(indien afwijkend)

GN-code (1)

CAS nr. (2)

Azijnzuuranhydride

 

2915 24 00

108-24-7

Fenylazijnzuur

 

2916 34 00

103-82-2

Antranilzuur

 

2922 43 00

118-92-3

Piperidine

 

2933 32 00

110-89-4

Kaliumpermanganaat

 

2841 61 00

7722-64-7

De zouten van de stoffen in deze categorie wanneer het bestaan van deze zouten mogelijk is.

(1)   PB L 290 van 28.10.2002, blz. 1.

(2)   Het CAS-nummer is het „Chemical Abstracts Service Registry Number”, een uniek getal ter aanduiding van elke specifieke stof en de structuur ervan. Elk isomeer en elk zout heeft een eigen CAS-nummer. Het CAS-nummer voor de zouten van bovengenoemde stoffen is dus afwijkend.



Categorie 3

Stof

GN-benaming

(indien afwijkend)

GN-code (1)

CAS nr. (2)

Zoutzuur

Waterstofchloride

2806 10 00

7647-01-0

Zwavelzuur

 

2807 00 10

7664-93-9

Tolueen

 

2902 30 00

108-88-3

Ethylether

Diethylether

2909 11 00

60-29-7

Aceton

 

2914 11 00

67-64-1

Methylethylketon

Butanon

2914 12 00

78-93-3

De zouten van de stoffen in deze categorie wanneer het bestaan van deze zouten mogelijk is, behalve de zouten van zoutzuur en zwavelzuur.

(1)   PB L 290 van 28.10.2002, blz. 1.

(2)   Het CAS-nummer is het „Chemical Abstracts Service Registry Number”, een uniek getal ter aanduiding van elke specifieke stof en de structuur ervan. Elk isomeer en elk zout heeft een eigen CAS-nummer. Het CAS-nummer voor de zouten van bovengenoemde stoffen is dus afwijkend.



Categorie 4

Stof

GN-benaming (indien afwijkend)

GN-code

Geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die efedrine of zouten daarvan bevatten

Die efedrine of zouten daarvan bevatten

3003 40 20

3004 40 20

Geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die pseudo-efedrine of zouten daarvan bevatten

Die pseudo-efedrine of zouten (INN) daarvan bevatten

3003 40 30

3004 40 30



( 1 ) Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

( 2 ) Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

( 3 ) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).

( 4 ) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

( 5 ) Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PB L 47 van 18.2.2004, blz. 1).

( 6 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

( 7 ) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

( 8 ) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).