Onderzoeksraad: granaat mortierongeval was te warm opgeslagen

Print     PDF
Rubriek

De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van het mortierongeval op 6 juli 2016 in het VN-kamp Kidal te Mali. Tijdens de oefening explodeerde een van de granaten in de schietbuis. Hierbij kwamen twee Nederlandse militairen om het leven. De mortiergranaat was voortijdig tot ontploffing (detonatie) gekomen. Technisch onderzoek toont aan dat deze voortijdige detonatie is opgetreden terwijl de schokbuis zich in de ‘veilige’ stand bevond. Dat deze granaat tot ontploffing kon komen, maakt duidelijk dat het ontwerp van de granaat zwakke plekken kent. Het onderzoek heeft echter ook aangetoond dat de ongunstige opslag- en gebruikscondities in het inzetgebied, met hoge temperaturen en potentiële indringing van vocht, een negatief effect hebben gehad op de werking van de granaat.

Zonnedak

De fatale granaat is (samen met andere munitie) in Kidal opgeslagen geweest in een witte zeecontainer zonder zonnedak. Deze was niet voorzien van een zonwerend scherm of klimaatbeheersing.Voorafgaand aan het gebruik is de fatale granaat blootgesteld aan zonlicht. Ondanks de invloed van warmte op de kwaliteit van munitie werd de temperatuur in de opslagcontainer in Kidal niet gemeten en gelogd. Met behulp van de TNO-klimaattool is daarom de temperatuur ingeschat ten tijde van opslag en gebruik. De conclusie luidt dat zowel tijdens opslag als bij gebruik van de mortiergranaten de door de leverancier voorgeschreven maximumtemperatuur van de schokbuis (50°C) is overschreden.