Europees evaluatieverslag bestrijding milieucriminaliteit gepubliceerd

Print     PDF
Rubriek

De Raad van de Europese Uie heeft het verslag over de achtste ronde van wederzijdse evaluaties van internationale samenwerking in criminaliteitsbestrijding, betreffende de rol van Nederland, gepubliceerd. De Europese lidstaten hebben in 1997 besloten tot het evalueren van de toepassing en uitvoering op nationaal niveau van internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Deze achtste ronde ging over "de praktische uitvoering en toepassing van het Europese beleid inzake preventie en bestrijding van milieucriminaliteit", meer specifiek over: 1. de illegale handel in afval en 2. illegale productie van en omgang met gevaarlijke stoffen.

Ontmoeting

Het bezoek van de Nederlandse autoriteiten aan het evaluatieteam in Brussel vond plaats tussen 21 en 24 november 2017. Het behelsde ontmoetingen met de bevoegde actoren in preventie en bestrijding van milieucriminaliteit en bij de uitvoering en toepassing van Europees beleid, bv. het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, regionale omgevingsdiensten, het Openbaar Ministerie voor financiële, economische en milieumisdrijven en de nationale politie. De Nederlandse autoriteiten hebben het evaluatieteam volledig geïnformeerd over de juridische en operationele aspecten van preventie en bestrijding van milieucriminaliteit, grensoverschrijdende samenwerking en samenwerking met EU-agentschappen.

Afvalstoffen

Ten aanzien van de illegale handel in afvalstoffen wordt onder andere geconcludeerd:

  • Rotterdam is de grootste haven van Europa en dus moet de aandacht van de inspectief gericht zijn op de uitvoer van afval.
  • De Douane is een belangrijke speler en de douanefunctionarissen moeten een bepaalde mate van opleiding op dit gebied hebben.
  • Nationale richtlijnen of handboeken voor het onderscheiden van bepaalde soorten afval zouden een hulpmiddel kunnen zijn.
  • De inspectiesystemen moeten worden herzien m.b.t. bepaalde artikelen van de EVOA (Verordening overbrenging afvalstoffen).
  • Nederland is zeer actief op het gebied van internationale samenwerking in grensoverschrijdende overbrenging van afval, in het bijzonder in IMPEL-TFS.
  • De samenwerking tussen de diverse Nederlandse instanties is helaas nog geen routinematige procedure.
  • Er bestaat een tendens dat veel afval ten oprechte wordt ingedeeld als dierlijk bijproduct, en EVOA geldt niet voor dierlijke bijproducten.

Gevaarlijke stoffen

In het beheer van gevaarlijke stoffen zijn de volgende conclusies getrokken:

  • Het zou nuttig zijn nationale irchtlijnen op te stellen om onderscheid te maken tussen (bij)producten en afval, tussen gebruikte auto's en afgedankte auto's, en tussen afval en dierlijke bijproducten.
  • Een probleem is dat veel afval ten onrechte wordt ingedeeld bij afval van de 'groene' lijst en naar het buitenland wordt vervoerd. 
  • Een nuttige databank en verplicht meldpunt is het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA).
  • De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft een methodiek ontwikkeld voor het bepalen van de grootste risico's op niet-naleving: de ILT-brede risicoanalyse (IBRA).

Aanbevelingen

Aanbevelingen voor Nederland zijn:

  • Overweeg de douaneautoriteiten meer te betrekken op strategisch en op tactisch niveau, alsook bij de activiteiten van de Landelijke Milieukamer;
  • Moedig de landelijke autoriteiten aan statistieken over misdrijven en rechtszaken over afvalcriminaliteit in te winnen en te publiceren;
  • Overweeg hun expertise op het gebied van financiële onderzoeken te delen in het kader van de prioriteiten inzake milieucriminaliteit van de EU-beleidscyclus;
  • Overweeg op landelijk niveau meer aandacht te besteden aan de inspectie van afvaloverbrengingen vanuit Nederland;
  • Overweeg de bevoegde autoriteiten aan te sluiten op het Siena-systeem;
  • Oordeel of de oprichting van een gemeenschappelijk onderzoeksteam reeds bij de aanvang van een onderzoek aangewezen is (zoals dat het geval is met financiële onderzoeken);
  • Moedig de 29 omgevingsdiensten aan op een meer geïntegreerde manier te gaan functioneren, onder meer door meer informatie te delen;
  • Overweeg richtsnoeren op te stellen over het onderscheid tussen (bij)producten en afval;
  • Evalueer de inspectiesystemen in het licht van artikel 50, punten c) en d), van de Verordening overbrenging afvalstoffen (EVOA).