Asbeter werkt aan een oplossing voor het asbestprobleem

Print     PDF
Rubriek

De start-up Asbeter heeft het Asbetter Acids-procedé ontwikkeld om asbest in dakplaten te vernietigen met restzuren uit de chemische industrie. Installaties op operationele schaal zijn gepland in de Botlek en nabij Chemiepark Delfzijl. Asbeter verwacht binnen tien jaar het asbestprobleem in Nederland op te lossen. Dit blijkt uit een interview op de website van de VNCI met Pol Knops en Inez Postema, de oprichters van het bedrijf.

Asbeter opende in november 2018 in Plant One een proefinstallatie met een capaciteit van 200 liter voor de verwerking van asbest dakplaten. Die bevatten zo’n tien procent asbest en negentig procent cement. Een pers duwt deze platen door een matrijs zodat er kleine blokjes overblijven. Vervolgens maalt een molen de blokjes fijn, waarna drie processtappen met de restzuren plaatsvinden om het asbest te vernietigen.

Asbeter is momenteel bezig met het opschalingsproces. Hiervoor heeft de startup € 1 miljoen cofinanciering weten te krijgen van onder andere bedrijven het Ministerie van Economische Zaken en de gemeente Rotterdam.

‘De vergunningprocedure voor de installatie in de Botlek is in gang gezet’, zegt Knops. We hebben de bouwvergunning aangevraagd en de milieu-effectrapportage gestart. Wij hopen dat het gebouw er eind 2020 staat, zodat we in 2021 met de productie kunnen starten. Doel is om de productie snel op te schalen van 8.000 ton naar 50.000 ton in 2022."’

Hebben de twee fabrieken voldoende capaciteit om het asbestprobleem in Nederland op te lossen? Postema denkt van wel. ‘Wanneer de twee plants operationeel zijn, kunnen we jaarlijks 100.000 ton asbestplaten verwerken. Ook is er jaarlijks 500.000 ton restzuur beschikbaar in de Botlek en Delfzijl. Gezien de hoeveelheid asbest dakplaten in Nederland kunnen we het probleem binnen tien jaar oplossen.’ Asbeter gaat tussen 2021 en 2025 de vleugels in Europa uitslaan door de technologie te leveren aan klanten om installaties te bouwen in België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Bron: VNCI