Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Print     PDF
De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 10 van Richtlijn 94/55/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG 94 L 319), op artikel 10 van Richtlijn 95/50/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 249), op artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 en op artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

Besluit:

Artikel 1

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
Minister:

Minister van Infrastructuur en Milieu;

b.
bevoegde autoriteit:
  • 1°.

    Minister,

  • 2°.

    een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie, of

  • 3°.

    een met toepassing van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen erkende instantie;

c.
richtlijn nr. 2008/68/EG:

richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260);

d.
richtlijn nr. 95/50/EG:

richtlijn nr. 95/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 1996 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L249).

2

De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de bijlagen 2, 3 en 4 voorzover daarin niet anders is bepaald.

Artikel 2

Bij deze regeling behoren vier bijlagen:

  • a.

    bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;

  • b.

    bijlage 2: voorschriften in afwijking van of in aanvulling op bijlage 1;

  • c.

    bijlage 3: erkende instanties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, 2°;

  • d.

    bijlage 4: rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Artikel 3

Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.

Artikel 4

1

De door de bevoegde autoriteiten op basis van randnummer 1.5.1.1 van de ADR overeengekomen tijdelijke afwijkingen worden in de vorm van een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie voorgelegd door de bevoegde autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. Van dergelijke afwijkingen doet de Minister mededeling aan de Europese Commissie.

2

De afwijkingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Bijlage 1: als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de Regeling van 29 april 2015 tot wijziging van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de tweejaarlijkse revisie van internationale voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen en enkele andere wijzigingen.

Bijlage 2: , bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Aanvullende Voorschriften

Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer

Artikel 1. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt.

Artikel 2. Ontheffingen

De Minister verleent een ontheffing als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen slechts op voorwaarden dat de veiligheid niet in gevaar komt en het vervoer waarvoor de ontheffing wordt verleend duidelijk is gespecificeerd en van tijdelijke aard is.

Artikel 3. N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

  • a.

    zijn een aanvulling op bijlage 1; of

  • b.

    treden, voor zover zij met de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1.

1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten

1. Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.

2. Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

5.1.2.1./5.2.1 N/5.5.3.4.1/5.5.3.6.2 Opschriften en kenmerking

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.4.1.4. N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.

6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijdalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashboard en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.3.4. N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli

In afwijking van randnummers 7.5.7.5/8.3.3 van Bijlage 1, mag de chauffeur of de bijrijder:

  • a.

    een buitenverpakking openen die gevaarlijke stoffen bevat, die als pesticiden worden toegepast;

  • b.

    een IBC openen, waarin UN1202, dieselolie, gasolie of lichte stookolie wordt vervoerd.

Dit openen is uitsluitend toegestaan voor het direct afleveren van genoemde stoffen in de land- en de wegenbouw alsmede op bouwplaatsen.

8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder

Randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:

  • a.

    op deze voertuigen gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het Besluit personeel veiligheidsregio’s aanwezig is, en

  • b.

    het met diploma behaalde veiligheidsniveau van dit personeel is gewaarborgd.

9.2.3.1. N Reminrichting

Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1. N Stabiliteit

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan de daaromtrent in de Regeling voertuigen gestelde eisen.

Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied

Artikel 1. Toepassingsbereik

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en:

  • a.

    is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4, of

  • b.

    dient ter invulling van specifiek in de randnummers van bijlage 1 opgenomen bevoegdheden.

2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig randnummer 1.1.3 en de hoofdstukken 3.4 en 3.5 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC of bulkcontainer gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1 te laden of te lossen elders dan:

  • a.

    op het adres van de afzender, vuller, belader en de geadresseerde, of

  • b.

    op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend.

Artikel 3. Tunnelregime

  • 1.

    Beperkingen voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie C in randnummer 1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:

    • a.

      de Beneluxtunnel, gelegen in de A4 tussen Vlaardingen en Hoogvliet;

    • b.

      de Coentunnel, gelegen in de A10 te Amsterdam;

    • c.

      de Drechttunnel, gelegen in de A16 tussen Zwijndrecht en Dordrecht;

    • d.

      de Ketheltunnel, gelegen in de A4 te Schiedam;

    • e.

      de Kiltunnel, gelegen in de S43 tussen Dordrecht en ’s-Gravendeel;

    • f.

      de Noordtunnel, gelegen in de A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam;

    • g.

      de Salland-Twentetunnel, gelegen in de N35 te Hellendoorn;

    • h.

      de Sluiskiltunnel, gelegen in de N62 bij Terneuzen;

    • i.

      de Sytwendetunnel, gelegen in de N14 te Leidschendam–Voorburg;

    • j.

      de Thomassentunnel, gelegen in de N15 te Rotterdam;

    • k.

      de Vlaketunnel, gelegen in de A58 tussen Kruiningen en Kapelle;

    • l.

      de Waterwolftunnel, gelegen in de N201 tussen Aalsmeer en Haarlemmermeer;

    • m.

      de Westerscheldetunnel, gelegen in N62 tussen Terneuzen en Goes;

    • n.

      de Wijkertunnel, gelegen in de A9 tussen Beverwijk en Velsen;

    • o.

      de Zeeburgertunnel, gelegen in de A10 te Amsterdam.

  • 2.

    Beperkingen voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie D in randnummer 1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:

    • a.

      de Botlektunnel, gelegen in de A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg;

    • b.

      de Heinenoordtunnel, gelegen in de A29 tussen Barendrecht en Oud‑Beijerland;

    • c.

      de Hubertustunnel, gelegen in de N14 te Den Haag;

    • d.

      de IJtunnel, gelegen onder het IJ te Amsterdam;

    • e.

      de Koningstunnel, gelegen in de Koningskade te Den Haag;

    • f.

      de Maasboulevardtunnel, gelegen in de gemeente Maastricht;

    • g.

      de Maastunnel, gelegen onder de Nieuwe Maas, te Rotterdam;

    • h.

      de Michiel de Ruijtertunnel, gelegen onder de De Ruijterkade te Amsterdam;

    • i.

      de Piet Heintunnel, gelegen onder het Amsterdam-Rijnkanaal te Amsterdam;

    • j.

      de Velsertunnel, gelegen in de A22, tussen Beverwijk en Velsen.

  • 3.

    Beperkingen voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen, genoemd onder Tunnelcategorie E in randnummer 1.9.5.2.2 van bijlage 1, gelden voor:

    • a.

      de ArenAtunnel, gelegen onder de Amsterdam ArenA te Amsterdam;

    • b.

      de Stadsbaantunnel, gelegen naast de A2 te Utrecht.

  • 4.

    De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met een hoofdletter de categorie van de desbetreffende tunnel, overeenkomstig dit artikel, wordt aangeduid.

Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 1 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Tabel 1

Klasse

Vervoer in tanks

Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6

1

Alle stoffen

Alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 met uitzondering van de stoffen en voorwerpen genoemd onder subklasse 1.4

2

Alle brandbare en/of giftige gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is voorgeschreven

4.1

Zelfontledende stoffen met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven

4.2

Stoffen van verpakkingsgroep I

4.3

Alle stoffen

5.2

Organische peroxides met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 5.2 en 1 is voorgeschreven

6.1

Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1

8

De stoffen met de volgende UN-nummers: 1829, 2240, 2502 en 2817

UN-nummer 2502

lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden

1. Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:

  • a.

    gevaarlijke stoffen te vervoeren in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000 liter is;

  • b.

    vuurwerk te vervoeren boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1.

2. Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1:

  • a.

    indien door weersomstandigheden het zicht minder is dan 50 m; of

  • b.

    bij glad wegdek.

3. De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

  • a.

    sprake is van langdurige gladheid; en

  • b.

    het spoedeisende karakter van het vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond.

Artikel 7. Zout veer

1. Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

  • a.

    Den Helder–Texel;

  • b.

    Harlingen–Vlieland;

  • c.

    Harlingen–Terschelling;

  • d.

    Holwerd–Ameland;

  • e.

    Lauwersoog–Schiermonnikoog.

2. Tabel 2 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3. Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 2, is slechts toegestaan indien het betreft:

  • a.

    ten hoogste twee transporteenheden als laatste geplaatst op een open rijdek; of

  • b.

    ten hoogste één transporteenheid als laatste geplaatst op een gesloten rijdek.

4. Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.

5. Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6. De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

7. De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 2, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

8. Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Tabel 2

Klasse

Vervoer in tanks

Losgestort vervoer

Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6

1

Alle stoffen

Alle stoffen

2

Alle brandbare en/of giftige gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 en/of 2.3 is voorgeschreven.

Alle brandbare gassen waarvoor een etiket volgens modelnr. 2.1 is voorgeschreven.

3

Stoffen met bijkomend gevaarsetiket 6.1 en/of 8 van verpakkingsgroep I en II.

Stoffen met bijkomend gevaarsetiket 6.1 en/of 8 van verpakkingsgroep I en II.

4.1

Zelfontledende stoffen met explosieve eigenschappen (type B), stoffen waarvoor een etiket volgens modelnr. 4.1 en 1 is voorgeschreven.

4.2

Alle stoffen

Alle stoffen

Alle stoffen

4.3

Alle stoffen

Alle stoffen

Alle stoffen

5.2

Alle stoffen

Alle stoffen

6.1

Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.2.1 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1.

Stoffen van verpakkingsgroep I die specifiek als giftig bij inademing zijn aangemerkt ingevolge de juiste vervoersnaam als bedoeld in randnummer 3.1.2 van bijlage 1 of middels bijzondere bepaling 354 van hoofdstuk 3.3 van bijlage 1

6.2

UN-nummers 2814, 2900

UN-nummers 2814, 2900

8

Alle stoffen

Alle stoffen

Alle stoffen

Lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

Artikel 8. Pont

Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:

  • a.

    een transporteenheid beladen met ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 wordt met voorrang op de pont toegelaten boven andere voertuigen of personen;

  • b.

    tijdens een transport als bedoeld in onderdeel a bevinden zich geen andere voertuigen of personen op de pont, tenzij deze personen behoren tot de bemanning van de transporteenheid dan wel benodigd zijn voor de bediening van de pont;

  • c.

    transporteenheden met tank(s) geëtiketteerd en gekenmerkt ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van bijlage 1 worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel kunnen worden verwijderd; en

  • d.

    de bestuurder van een transporteenheid, beladen met gevaarlijke stoffen, verstrekt, alvorens de pont op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

Artikel 9.

Vervallen.

Artikel 10. Toelating van voertuigen

1. In Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.3.1 van bijlage 1, kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer.

2. De goedkeuring wordt geweigerd, indien een voertuig als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.

3. In afwijking van het tweede lid kunnen voertuigen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd indien de technische inrichting en uitrusting der voertuigen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.

4. De eigenaar of houder van een voertuig als bedoeld in het eerste lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het voertuig is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.

5. De eigenaar of houder van een voertuig als bedoeld in het eerste lid zorgt dat dit voertuig voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:

  • a.

    telkenmale voordat de laatste goedkeuring haar geldigheid verliest;

  • b.

    na een belangrijke herstelling; of

  • c.

    wanneer de Dienst Wegverkeer een onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.

6. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat een voertuig als bedoeld in het eerste lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.

7. Indien een voertuig als bedoeld in het eerste lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.

8. Tot 1 januari 2014 is dit artikel van overeenkomstige toepassing op in Nederland in gebruik zijnde kleine mobiele tanks waaronder worden verstaan vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.

Artikel 11. 1.3.3 en 1.10.2.4 Bewaartermijn opleidingsdossiers

De werkgever bewaart de dossiers, bedoeld in randnummers 1.3.3 en 1.10.2.4 van bijlage 1 gedurende de arbeidsrelatie met de werknemer, die de opleiding heeft genoten.

Artikel 12. 1.8.3.2. Uitzondering verplichting veiligheidsadviseur

De voorschriften onder randnummer 1.8.3 van bijlage 1 zijn niet van toepassing op ondernemingen als bedoeld in randnummer 1.8.3.2.

Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Artikel 1

De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1. Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

  • a.

    heeft betrekking op een representatief deel van het vervoer;

  • b.

    wordt verricht overeenkomstig artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4060/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing van controles aan de grenzen van de lidstaten voor wegvervoer en binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);

  • c.

    wordt uitgevoerd met toepassing van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn nr.95/50/EG;

  • d.

    wordt uitgevoerd door middel van steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het wegennet.

2. Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 95/50/EG.

Artikel 3

1. De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

2. Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van richtlijn nr. 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

Bijlage 3: als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 1: Erkende instanties

  • 1.

    In de onderstaande tabel zijn de erkende instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover deze betrekking hebben op drukhouders en tanks als bedoeld in de Regeling vervoerbare drukapparatuur voorbehouden aan de op grond van die regeling aangewezen instanties.

Tabel 1

Randnummer

Instanties

1.1.3.1 d)

brandweer of politie

1.3.3 , eerste volzin

ILT

1.4.2.2.4

ILT

1.5.1.1

Minister

1.6.3.44

RDW

1.8.1.1, 1.8.1.2. 1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3, 1.8.3.5, 1.8.5.1

ILT

1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.14, 1.8.3.16

CBR

1.9.4

Minister

1.9.5.1

Minister

1.10.1.6

CBR

1.10.2.4, eerste volzin

ILT

1.10.3.2.2, Opmerking

Politie

2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria

TNO

2.2.1.1.3

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

2.2.1.1.7.2

TNO

2.2.1.1.8.1 en 2.2.1.1.8.2

TNO

2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13 2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.52.1.8

TNO

2.2.62.1.9, Opmerking, 2.2.62.1.12

EZ of VWS

2.2.9.1.7

ILT

2.2.9.1.11, Opmerking 2 en 3

Minister

3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

3.3.1, bijzondere bepalingen 181 en 237

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 239

ILT

3.3.1, bijzondere bepalingen 266, 271, 272 en 278

TNO

3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 311

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 356

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 364

TNO

3.3.1, bijzondere bepaling 376

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 636, Opmerking

ILT

3.3.1, bijzondere bepaling 637

Minister

3.3.1, bijzondere bepaling 645

TNO

4.1.1.15

ILT

4.1.4.1, P099

ILT

4.1.4.1, P101

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.4.1, P200 (9), 10v

ILT

4.1.4.1, P405 (2) b)

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.4.1, P620, P650

EZ of VWS

4.1.4.2, IBC520, IBC02, B16

TNO

4.1.5.15, 4.1.5.18

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.1.7.2.2

TNO

4.1.8.7

EZ of VWS

4.1.10.4, MP21

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

4.2.1.7

RDW

4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3

TNO

4.2.5.3, TP9

TNO

4.2.5.3, TP10

RDW

4.3.5, TU39, TU41

TNO

5.2.2.1.9

TNO

5.4.1.2.1

TNO of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie

6.1.1.4

ILT

6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7

ILT

6.3.2.2

ILT

6.5.4.1

ILT

6.6.1.2

ILT

6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b), 6.7.4.14.10

RDW

6.7.4.14.11

ILT

6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1

RDW

6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7

RDW

6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19, 6.8.2.1.20, 6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2, 6.8.2.2.10

RDW

6.8.2.3.1, 6.8.2.3.3, 6.8.2.4.1 voetnoot 10, 6.8.2.4.2 voetnoot 10, 6.8.2.4.5

RDW

6.8.2.7, 6.8.3.7

ILT

6.8.4 TA2

TNO

6.8.4 TT11

RDW

6.9.1.1

ILT

6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1

RDW

6.11.4.4

RDW

6.12.3.1.2, 6.12.3.1.3, 6.12.3.2.2

RDW

7.3.2.6.2 d)

ILT

7.3.3.1, VC3

RDW

7.5.11 CV1

Burgemeester

7.5.2.2 voetnoot a)

RDW

8.1.4.4

V&J

8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.5, 8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7, 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.8.2, 8.2.2.8.4

CBR

8.5 S1 (4)

Burgemeester

9.1.2, 9.1.3

RDW

Artikel 2

  • 1.

    In deze bijlage wordt verstaan onder:

    • brandweer: brandweerdiensten, met uitzondering van de bedrijfsbrandweer als bedoeld in het Besluit veiligheidsregio’s;

    • burgemeester: de burgemeester van de desbetreffende gemeente;

    • CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;

    • Defensie: Minister van Defensie;

    • EZ: Minister van Economische Zaken;

    • ILT: Minister, namens deze de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport;

    • politie: het landelijke politiekorps, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012;

    • RDW: Dienst Wegverkeer;

      • 1°.

        Minister van Veiligheid en Justitie,

      • 2°.

        ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB);

    • TNO: Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;

    • VWS: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 2.

    Bij de uitvoering van de bevoegdheden van V&J, bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

Artikel 3

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      overeenstemming vooraf: het CBR doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien akkoord, instemt;

    • b.

      informatie achteraf: het CBR informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van een jaarlijks verslag, houdende:

      • 1°.

        aantallen examens;

      • 2°.

        aantallen geslaagden aan wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; en

      • 3°.

        een evaluatie van het in onderdeel a en b genoemde.

  • 2.

    Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden, bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, geeft het CBR toepassing aan tabel 2.

    Tabel 2. Specificatie bevoegdheden CBR

    ADR-randnummer

    bevoegdheid van het CBR

    overeenstemming vooraf

    Informatie achteraf

    8.2.1.2, 8.2.1.4 + 8.5; S1, S11,

    S12, 8.2.1.5, 8.2.1.6, 8.2.2.1

    Afgifte vakbekwaamheidscertificaten en aantekening herhalingscursus

    X

    8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.4,

    8.2.2.3.1, 8.2.2.3.2, 8.2.2.3.3,

    8.2.2.3.4, 8.2.2.3.5

    inhoudelijke eisen opleiding: vaststellen eindtermen

    X

    8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5

    goedkeuren van de opleidingen; vaststellen van erkenningsrichtlijn

    X

    8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.6

    eisen aan examens en wijze van examineren: opstellen van examenrichtlijn en afnemen examen

    X

Artikel 4: Erkenningsvoorwaarden

  • 1.

    Een in artikel 1 erkende instantie, met uitzondering van bij de Staat der Nederlanden behorende organen, de politie en de brandweer, bedoeld in artikel 2:

    • a.

      heeft rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      is redelijkerwijs onafhankelijk van de betrokken opdrachtgever;

    • c.

      beschikt over voldoende vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste MBO-niveau;

    • d.

      beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingssysteem, en

    • e.

      voldoet aan andere door de Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.

  • 2.

    De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan het eerste, derde of vierde lid.

  • 3.

    De erkende instantie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

  • 4.

    De erkende instantie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport en die betrekking hebben op het eerste lid voor zover betreffende handelingen met betrekking tot wagens en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Bijlage 4: , bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Hoofdstuk I Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a.

    directeur: Algemeen Directeur van de RDW;

  • b.

    EN: Europese norm vastgesteld door de Europese commissie voor normalisatie (CEN);

  • c.

    IEC: Internationaal Electrotechnical Commission;

  • d.

    ISO: Internationale norm vastgesteld door de International Organization for Standardization;

  • e.

    RDW: Dienst Wegverkeer;

  • f.

    rn: randnummer in de zin van de bijlagen 1 en 2;

  • g.

    voertuig: ingevolge rn. 9.1.2.1 van de VLG keuringsplichtig voertuig of voertuigcombinatie;

  • h.

    VT: Divisie voertuigtechniek van de RDW;

  • i.

    TTV: Afdeling Toelating en Toezicht Voertuigen, Productbeoordeling zwaar.

Artikel 2 Europese Normen

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium;

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);

IEC 60079–11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’.

Artikel 3

1. Voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

  • a.

    de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2;

  • b.

    de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk anders is bepaald;

  • c.

    waar het voertuigen betreft, de Regeling voertuigen.

2. De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.

3. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen worden gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel 4

Vervallen.

Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4

1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van de VT waaronder de ondernemer ressorteert.

2. Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

Hoofdstuk II Tanks

§ 1. Beoordelingsnormen/Codes

Artikel 6

Vervallen.

Artikel 7

Vervallen.

Artikel 8

Vervallen.

Artikel 9

Vervallen.

Artikel 10

Vervallen.

§ 2 Dimensionering

Artikel 11

Vervallen.

Artikel 12

Vervallen.

§ 3 Constructie

Artikel 13

Vervallen.

Artikel 14

Vervallen.

Artikel 15 scharnierende tank

1. Tanks mogen scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.

2. In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:

  • a.

    de tank in rijdende toestand van het voertuig automatisch is vergrendeld; en

  • b.

    het kipmechanisme tijdens het rijden niet in werking kan worden gesteld.

Artikel 16

Vervallen.

Artikel 17

Vervallen.

Artikel 18

Vervallen.

Artikel 19

Vervallen.

§ 4 Bescherming

Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen

1. Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.

2. Indien de in de Regeling voertuigen genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.

3. (apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.

4. (stootbalk bij tanks met isolerende bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen (gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de isolatie ten minste 50 mm bedraagt.

Artikel 21

Vervallen.

Artikel 22

Vervallen.

Artikel 23

Vervallen.

Artikel 24

Vervallen.

§ 5

Artikel 25

Vervallen.

Artikel 26

Vervallen.

Artikel 27

Vervallen.

Artikel 28

Vervallen.

Artikel 29

Vervallen.

Artikel 30

Vervallen.

Artikel 31

Vervallen.

Artikel 32

Vervallen.

Hoofdstuk III

Artikel 33

Vervallen.

Artikel 34

Vervallen.

Artikel 35

Vervallen.

Artikel 36

Vervallen.

Artikel 37

Vervallen.

Artikel 38

Vervallen.

Artikel 39

Vervallen.

Artikel 40

Vervallen.

Artikel 41

Vervallen.

Hoofdstuk IV Chassis

Artikel 42

Vervallen.

Artikel 43

Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.

Artikel 44

Vervallen.

Artikel 45

Vervallen.

Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5

§1. Motor voor aandrijving van het voertuig

Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5

Vervallen.

Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5

1. Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:

  • a.

    de hete delen van de motor zoals de turbo en het uitlaatspruitstuk zich op ten minste 50 cm afstand bevinden van de ladingtank of de laadruimte; of

  • b.

    een warmtewerend schild is aangebracht tussen de hete delen en de ladingtank of de laadruimte.

2. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.

Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

1. De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.

2. De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.

Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

1. Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:

  • a.

    het gedeelte van de uitlaatleiding dat achter de achterwand van de cabine is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien waarvan de breedte aan weerszijden ten minste 2 cm meer bedraagt dan de diameter van de uitlaatleiding ter plaatse van de afschermkap;

  • b.

    de hoek tussen de raaklijn aan de uitlaatleiding naar de rand van de afschermkap en de verticaal bedraagt ten minste 15°, waarbij de afschermkap ten minste 1 cm boven de uitlaatleiding is aangebracht;

  • c.

    indien de uitlaat of delen daarvan onder een accubak, gereedschapkast of, bij trekkers, onder een metalen plaat tussen de cabine en de opleggerkoppeling is dan wel zijn aangebracht, behoeft het gedeelte van de uitlaatleiding dat zich hieronder bevindt, niet van de in onderdeel b bedoelde afschermkap te worden voorzien.

2. De uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:

  • a.

    delen van het uitlaatsysteem zich op een afstand van ten minste 50 cm van de ladingtank of de laadruimte bevinden of ten minste 20 cm van vul- en aftapleidingen van de tank; of

  • b.

    ten genoegen van de directeur wordt aangetoond dat het oppervlak van het achter de cabine van het voertuig gelegen deel van de uitlaatleiding of van de ommanteling daarvan bij langdurige belasting van de motor een temperatuur van 200°C niet overschrijdt; of

  • c.

    het een voertuig van de categorie N1 betreft met een gesloten opbouw die door de voertuigfabrikant is aangebracht, waar van fabriekswege maatregelen zijn genomen om opwarming van de laadvloer te voorkomen.

3. Bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:

  • a.

    delen van het uitlaatsysteem zich, ongeacht hun positie, op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden; en

  • b.

    de in het derde lid, onderdeel a, genoemde delen op meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine doch niet boven de chassisbalken zijn aangebracht.

4. Bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-)containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:

  • a.

    delen van het uitlaatsysteem zich voor de voorste twist locks en niet boven de bovenzijde van de chassisbalken bevinden;

  • b.

    de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde delen achter de voorste twist locks en niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.

5. In verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.

Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat

1. Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:

  • a.

    de plaatsing en constructie zijn toegelaten in de typegoedkeuring; en

  • b.

    de delen zo dicht mogelijk tegen de achterwand van de bestuurderscabine zijn aangebracht, met in achtneming van de warmtebestendigheid van de cabine.

2. Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.

3. Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.

4. Het derde lid is niet van toepassing op voertuigen die zijn uitgerust met een uitlaatgasnabehandelingssysteem, voor zover het voertuigen betreft die minimaal voldoen aan de emissiegrenswaarden als opgenomen in de rijen B1, B2 of C van tabel 1 van bijlage 1 van richtlijn nr. 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEU L 275) of als opgenomen in bijlage 1 van verordening (EU) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU L 188).

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Artikel 51

Vervallen.

Hoofdstuk VI

Artikel 52

Vervallen.

Artikel 53

1. Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a.

    bij toepassing van andere isolatiematerialen voor de elektrische leidingen dan die, genoemd in de afbeeldingen behorend bij rn. 9.2.2.6, wordt de gelijkwaardigheid van de bestendigheid met de materialen, genoemd in eerdergenoemde afbeeldingen aangetoond;

  • b.

    onder gelijkwaardigheid onder ‘normale gebruiksomstandigheden’ als genoemd in rn. 9.2.2.6 en 9.2.2.6.1 wordt verstaan: het zoveel mogelijk overeenkomen van het chemische en mechanische bestendigheidniveau binnen een temperatuurbereik van –40°C tot +100°C;

  • c.

    de volgende eigenschappen van de isolatiematerialen worden bij de beoordeling in aanmerking genomen:

    • 1°.

      de slagvastheid bij de gedefinieerde minimumtemperatuur,

    • 2°.

      de bestendigheid tegen verweking bij de gedefinieerde maximumtemperatuur,

    • 3°.

      de chemische bestendigheid tegen verweking of aantasting door vetten, oplosmiddelen, zuren en logen,

    • 4°.

      bestendigheid tegen veroudering;

  • d.

    de elektrische leidingen en armaturen vormen bij onderlinge aansluitingen een dichte afsluiting, waarbij voor zover geplaatst buiten de in artikel 54 omschreven ruimten hieraan wordt geacht te zijn voldaan bij plaatsing in een gesloten ruimte, indien de aansluitingen overeenkomen met aanduiding IP 44 overeenkomstig IEC 529 (beschermd tegen binnendringen van vaste voorwerpen en opspattend water), of overige aansluitingen, volgens aanduiding IP 54 (beschermd tegen binnendringen van stof en opspattend water);

  • e.

    indien een accu in een gesloten kast is geplaatst welke mede is bestemd voor apparatuur zoals een hulpmotor voor de aandrijving van een pomp of compressor, wordt de bescherming van de accu geacht te voldoen aan het bepaalde in rn. 9.2.2.4 indien deze bestaat uit een isolerend deksel van metaal of van daaraan gelijkwaardig materiaal.

Artikel 54

Vervallen.

Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar

1. Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.

2. Indien een voertuig is uitgerust met extra accu’s ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:

  • a.

    indien gekoppeld aan het boordnet: door het bedienen van de in rn. 9.2.2.3 bedoelde hoofdschakelaar voldoet ook het door de extra accu gevoede circuit aan het bepaalde in het eerste lid;

  • b.

    indien onderdeel van een afzonderlijk circuit:

    • 1°.

      de accu kan door middel van een afzonderlijke hoofdschakelaar worden gescheiden van het bijbehorende circuit;

    • 2°.

      de bedieningsinrichting van de afzonderlijke hoofdschakelaar mag in afwijking van het bepaalde in genoemd randnummer enkelvoudig zijn uitgevoerd.

3. indien een bediening van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.

Hoofdstuk VII Merktekens

Artikel 56

Vervallen.

Artikel 57

Vervallen.

Artikel 58

Vervallen.

Artikel 59

Vervallen.

Hoofdstuk VIII

§ 1.

Artikel 60

Vervallen.

Artikel 61

Vervallen.

§ 2.

Artikel 62

Vervallen.

§ 2.1

Artikel 63

Vervallen.

Artikel 64

Vervallen.

Artikel 65

Vervallen.

Artikel 66

Vervallen.

Artikel 67

Vervallen.

§ 2.2.

Artikel 68

Vervallen.

§ 3.

Artikel 69

Vervallen.

§ 4.

Artikel 70

Vervallen.

Artikel 71

Vervallen.

Artikel 72

Vervallen.

Artikel 73

Vervallen.

Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen

§ 1. Algemeen

Artikel 74

Vervallen.

Artikel 75

Vervallen.

Artikel 76

Vervallen.

Artikel 77

Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.

Artikel 78

Voor zover geen inwendige inspectie van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:

  • a.

    tankwagens uitsluitend goedgekeurd voor het vervoer van stoffen van klasse 2;

  • b.

    tankwagens die als laatste product kerosine met identificatienummer 1223, dieselolie, gasolie, lichte stookolie met identificatienummer 1202 of bitumen met identificatienummer 3257 hebben vervoerd.

Artikel 79

1. Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde in artikel 77 bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.

2. In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.

Artikel 80

1. Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.

2. Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgemaakt veiligheids- en gezondheidsverklaring overgelegd. Deze veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage IX van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgesteld modellen.

3. Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9001:2000, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.

4. Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:

  • a.

    de tank niet is voorzien van een inwendige bekleding;

  • b.

    de tank uit roestvrij staal of aluminium is vervaardigd, een glad oppervlak en geen moeilijk te reinigen details bezit;

  • c.

    de tank door middel van stomen is gereinigd, waarbij elke aanslag is verdwenen; en

  • d.

    het inwendig betreden van de tank plaatsvindt, aansluitend op het ledigen van de tank na persing met water.

Artikel 81

Vervallen.

§ 2. Beproevingen (Algemeen)

Artikel 82

Vervallen.

Artikel 83

Ten aanzien van tanks waarop rn. 6.8.2.1.14 onder a) van toepassing is, die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd overeenkomstig voorschriften die golden voor 1 januari 1990 behoeven de compartimenten geen afzonderlijke beproeving van de in rn. 6.8.2.1.14 onder a) bedoelde druk.

Artikel 84

Vervallen.

Artikel 85

Vervallen.

§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1

Artikel 86

Vervallen.

Artikel 87 proefpersing

Vervallen.

§ 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2

Artikel 88

Vervallen.

Artikel 89

Vervallen.

Artikel 90

Vervallen.

§5. Periodieke keuring voertuig

Artikel 91

Vervallen.

Artikel 92

Vervallen.

Artikel 93

Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:

  • a.

    geheel voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften, zoals genoemd in artikel 3;

  • b.

    geen gebreken vertoont, waartoe het chassis goed gereinigd is;

  • c.

    voldoende is onderhouden.

Artikel 94

1. Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij TTV.

2. Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij TTV.

3. Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.

4. Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.

§6. Keuring na belangrijke herstelling ongeval

Artikel 95

Vervallen.

Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 96

Deze bijlage is van toepassing op voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.

Artikel 97

1. De voorschriften van bijlage 4 zoals die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.

2. De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990, zoals die luidde ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.

3. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 zoals die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.

4. De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 zoals die luidden ten tijde van de toelating van een voertuig of die tank of tankcontainer blijven op dat voertuig respectievelijk die tank of tankcontainer van toepassing.